Uitsteken
(stak uit, heeft uitgestoken), I. onoverg., 1. naar buiten springen, steken: doe je niet zeer aan die uitstekende punten ; dat steekt nog uit, springt naar buiten; 2. zichtbaar zijn buiten, reiken, komen: de toren steekt boven de huizen uit; zijn hoofd steekt nog boven het water uit; boven alle anderen uitsteken,...