Wat is de betekenis van uitsteken?

2025-12-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Uitsteken

(stak uit, heeft uitgestoken), I. onoverg., 1. naar buiten springen, steken: doe je niet zeer aan die uitstekende punten ; dat steekt nog uit, springt naar buiten; 2. zichtbaar zijn buiten, reiken, komen: de toren steekt boven de huizen uit; zijn hoofd steekt nog boven het water uit; boven alle anderen uitsteken,...

2025-12-11
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

uitsteken

uitsteken - Werkwoord 1. (inerg) in grootte de rest voorbijstreven Die boom steekt boven de andere uit. 2. (ditr) met een scherp voorwerp stekend verwijderen Men stak hem de ogen uit. 3. (ov) uitstrekken, bijvoorbeeld van een lede...

2025-12-11
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

uitsteken

uitsteken - onregelmatig werkwoord uitspraak: uit-ste-ken 1. het naar buiten steken ♢ steek even je tong uit voor de dokter 1. je hand uitsteken [naar links of rechts wijzen als je de bocht om gaat...

2025-12-11
Kuifje in Vlaanderen

Michel Uyen

uitsteken

Wat steekt gij nu weer uit? (Wat ben jij aan het doen? in negatieve context)

2025-12-11
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

uitsteken

(stak uit, uitgestoken) uithalen, uitspoken, uitrichten - iets uitsteken, een streek uithalen, iets uitspoken. 't Is niet dat ik nooit met Barbies speelde, maar we gingen evengoed met crossmotootjes rijden en van alles uitsteken. - LN, 26-10-2002 In het dorp vertelde hij dat hij een toer zou uitsteken waar ze nog lang over zouden spr...

2025-12-11
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

uitsteken

1. M. betr. t. iets ongunstigs, iets afkeurenswaardigs: uithalen; vooral in verb. als kattekwaad, toeren, fratsen uitsteken. Zelfs wanneer de onderwijzer of de onderwijzeres den bal misslaat, een dwaasheid uitsteekt, het reglement overtreedt, in conflict komt met het huisgezin! PEETERS 1931, 6. Ik heb een hekel aan brave kinderen, die als u...

2025-12-11
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Uitsteken

v., útstekke; iem. de ogen —, immen de eagen útstrike; de tong —, blaeije, blagje; (oversteken), útstykje, -springe.

2025-12-11
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

uitsteken

stak uit, h. uitgestoken (1 stekende verwijderen, uithollen, maken; 2 voor zich uit, boven, buiten iets steken; 3 boven, buiten iets uitgestoken zijn; 4 Z.-N. een streek uithalen): 1. een oog uitsteken; een gat uitsteken; 2. de vlag uitsteken; hij stak de hand uit; zegsw. er geen hand (of: vinger) voor (of: naar) uitsteken, niet de minste moeite do...

2025-12-11
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

uitsteken

('uit) (stak uit, heeft uitgestoken) 1. naar buiten steken : de vlag -. ➝ bezem, voelhoren. 2. uitstrekken : de hand -.➝ hand, tong, vinger. 3. stekend verwijderen : steek dat stuk hout uit. ➝ oog. 4. door steken maken : een gat voor een slot -. 5. uitkomen : de toren steekt boven de daken uit. 6. uitmunten : boven al de anderen -.

2025-12-11
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Uitsteken

(stak uit, heeft uitgestoken), 1. naar buiten springen: dat steekt nog uit; 2. zichtbaar zijn buiten, reiken, komen: boven alle anderen uitsteken, groter dan al de anderen zijn; (ook fig.) boven hen uitmunten; 3. naar buiten iets steken: de vlag uitsteken, buiten het venster steken; zijn hand uitsteken, als signaal, m.n. om de richting aan te gev...

Wil je toegang tot alle 18 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-11
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

UITSTEKEN

UITSTEKEN - (stak uit, heeft uitgestoken), stekende verwijderen, wegnemen, uithollen : een gat voor een insteekslot uitsteken; — een paardenhoef uitsteken, het overtollige of bedorven hoorn wegsteken; — een patroon uitsteken, graveeren (in metaal); — iem. de oogen uitsteken, hem blind maken, (fig.) met iets pronken of pralen in...