Synoniemen van uitslaan

2019-10-23

uitslaan

uitslaan - onregelmatig werkwoord uitspraak: uit-slaan 1. naar buiten, van zich af slaan ♢ aan het eind van de oefening sloeg de turner zijn armen uit 1. de vleugels uitslaan [zich ontplooien, zelfstandig worden] 2. wat dichtgeslagen is uiteen vouwen ♢ zij sloeg de kaart...

2019-10-23

uitslaan

1. Vergelijken van de scores door de twee paren van een viertal na afloop van een wedstrijd (of gedeelte daarvan). 2. Van twee scores op één spel in een viertallenwedstrijd: elkaar opheffen, d.w.z. gelijk zijn of slechts 10 punten verschillen. Ook van een dergelijk spel wordt gezegd dat het ‘uitslaat’. Zie ook: swing; wash

2019-10-23

uitslaan

uitslaan - Werkwoord 1. (ov) door slaan iets eruit- of wegkrijgen De bal werd uitgeslagen. 2. (ov) uiting geven, uiten De taal die hij uitsloeg was allerverschikkelijkst. 3. ergatief een wijzer of meter die een afwijkende beweging maakt. De wijzer was plotseling uitgeslagen. 4. naar buiten gaan 5. het iemand ontnemen van een bepaalde verant...

2019-10-23

UITSLAAN

UITSLAAN - (sloeg uit, heeft en is uitgeslagen), beginnen te slaan, het eerst slaan (in het balspel; — door slaan uitdrijven : een spijker uitslaan', iem. een tand, een oog uitslaan; — (kaartsp.) de troeven er uitstaan; — door slaan zuiveren : de. kleeren uitslaan, de stof er uit: tapijten uitslaan, van stof reinigen;— dorschen: koren uitslaan; — ophouden met slaan, ten einde slaan: de klok heeft nog niet uitgeslagen; hebt ge haast uitgeslagen — uiteenvouwen, het toegeslagene losdoe...

2019-10-23

Uitslaan

Uitslaan - verkoopen, leveren, uit een pakhuis of entrepôt.