Wat is de betekenis van UITSCHIETEN?

2019
2022-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

uitschieten

uitschieten - Werkwoord 1. (intr) een onbedoelde plotselinge beweging maken 2. (figuurlijk) (intr) heftig uitvallen 3. (scheepvaart) (van de wind) plotseling harder worden 4. (plantkunde) uitlopen, spruiten 5. (voetbal) (ov) (de bal) het veld intrappen 6. (ov) door schieten wegnemen 7. (ov) naar buiten gooien, vieren Woordherkomst...

Lees verder
2004
2022-09-26
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

uitschieten

(schoot uit, uitgeschoten) - tegen iemand uitschieten, uitvallen, uitvaren tegen iemand, boos worden.

Lees verder
1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Uitschieten

(schoot uit, heeft en is uitgeschoten), 1. plotseling snel uittreden: door het uitschieten van dat polletje kan het rad niet verder; (m.n.) een onbedoelde plotselinge beweging maken buiten het steunpunt: de beitel schoot uit; (oneig.) uitvallen, zich heftig uiten; 2. door schieten wegnemen: iemand een oog uitschieten; 3. haastig afleggen, zich sch...

Lees verder
1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Uitschieten

v., útsjitte; (van de wind), útklearje, -sjitte; (van een mes), útskampe, -snappe.

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Uitschieten

(schoot uit, heeft en is uitgeschoten), 1. (onoverg.) naar buiten schieten, plotseling snel uittreden : door het uitschieten van dat palletje kan het rad niet verder ; — (inz.) een onbedoelde, onwillekeurige plotselinge beweging maken buiten het steunpunt: mijn hand, de beitel schoot uit; — een uitschietende windvlaag,...

Lees verder
1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

uitschieten

schoot uit, h. (1,2,4), i. (3, 5) uitgeschoten (1 door schieten wegnemen; 2 snel uittrekken; 3 uitbotten; 4 werpen; 5 uitglijden): 1. iem. een oog uitschieten; 2. een jas uitschieten; 3. de bomen gaan uitschieten; 4. de zon schiet haar stralen over de aarde uit, giet; 5. die ladder gaat uitschieten; nog (schipperst.): de wind begon uit te schieten,...

Lees verder
1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

uitschieten

('uit) (schoot uit, uitgeschoten) I. (heeft) 1. schietend wegnemen : iemand een oog -. 2. door veel schieten afslijten. 3. snel uittrekken : een jas -. Syn. → af doen. 4. voorschieten : geld -. 5. overboord werpen : ballast -. 6. afkeuren, afzonderen : minderwaardige goederen -. 7. werpen, gieten : de zon schiet haar stralen over d...

Lees verder
1916
2022-09-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Uitschieten

Uitschieten - (van den wind), plotselinge verandering van windrichting, gepaard gaande met toeneming in kracht.

1910
2022-09-26
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Uitschieten

Uitschieten - schiften. Van een partij koopwaren de minderwaardige of bedorven exemplaren uitzoeken.

1908
2022-09-26
Vivat

Schrijver op Ensie

Uitschieten

het verslijten van de ziel van een kanon, waardoor de oorspronkelijke trefnauwkeurigheid is verminderd.

1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

UITSCHIETEN

UITSCHIETEN - (schoot uit, heeft en is uitgeschoten), schietende wegnemen: iem. een oog uitschieten; — door veel schieten bederven, afslijten : de ziel van dat kanon is uitgeschoten, waardoor de trefnauwkeurigheid vermindert; — afleggen, zich schielijk ontdoen (van eenig kleedingstuk); — voorschieten (geld); — opschieten,...

Lees verder
1898
2022-09-26
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Uitschieten

zie Afdoen.

1856
2022-09-26
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Uitschieten

o.w. - Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy van ’t N. naar ’t O. enz. met de zon omloopt.