Wat is de betekenis van uithangen?

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

uithangen

uithangen - Werkwoord 1. (ov) iets ruim ophangen We moesten de was uithangen om deze te laten drogen. 2. (figuurlijk) ergens verblijven Woordherkomst samenstelling van uit en hangen

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

uithangen

uithangen - onregelmatig werkwoord uitspraak: uit-han-gen 1. je er bevinden ♢ waar heb jij vanavond uitgehangen? 2. doen alsof je dat bent ♢ hij probeert altijd de stoere bink uit te hangen...

Lees verder
2004
2022-11-27
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

uithangen

(hing uit, uitgehangen) - affiches/aanplakbiljetten/bekendmakingen uithangen, affiches/aanplakbiljetten/bekendmakingen ophangen, aanplakken. Ook affiches uithangen om de wandelaars te waarschuwen kan helpen. - HN, 20-09-2002. - de flauwe (plezante) uithangen, zich aanstellen, flauwe grappen maken of <schertsend door manne...

Lees verder
1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Uithangen

(hing uit, heeft uitgehangen), 1. zo ophangen dat het uitsteekt: de vlag -, uitsteken; 2. (fig.) zich voordoen als, de schijn geven van: de vrome uithangen ; 3. naar buiten, aan de buitenzijde van iets hangen; (zegsw.) het hangt mij de keel uit, ik heb er meer dan genoeg van, het verveelt mij uitermate; 4. in zijn volle breedte en lengte ophangen:...

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Uithangen

v., úthingje.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Uithangen

(hing uit, heeft uitgehangen), 1. (overg.) naar buiten hangen, zo ophangen dat het uitsteekt: de vlag uithangen, uitsteken. 2. (fig.) zich voordoen als, de schijn geven van: de grote heer, de vrome uithangen. 3. (onoverg.) naar buiten, aan de buitenzijde van iets hangen: daar hangt de Vergulde Arend uit, op het uithangbord voor...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

uithangen

hing uit, h. uitgehangen (1 aan de buitenzijde iets ophangen; 2 in zegsw. de schijn aannemen van; 3 zich bevinden gmz;): 1. een vlag, lap uithangen; België: rechtst. een dagorde uithangen; zie ook keel I 4; 2. het heertje uithangen; 3. waar hang jij toch uit?

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

uithangen

('uit) (hing uit, heeft uitgehangen) 1. aan de buitenzijde, buiten ophangen : een vlag -. → breeveertien, haan, keel, schaar. 2. op het uithangbord staan : daar hangt de Zwarte Leeuw uit. 3. zich de schijn geven van : de vrome -. → heer Jan, kind, schoolmeester. 4. zich bevinden, wonen : weet je waar Janssen uithangt ?.

Lees verder
1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

UITHANGEN

UITHANGEN - (hing uit, heeft uitgehangen), aan de buitenzijde (iets) ophangen ; de vlag uithangen, uitsteken; — daar hangt de Vergulde Arend uit, op het uithangbord voor dit huis staat een vergulde arend; — (fig.) daar hangt de schaar uit, het is er zeer duur, men wordt er gesneden; — den grooten heer, den vrome uithangen, zich...

Lees verder
1856
2022-11-27
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Uithangen

o.w. - Wordt het houtwerk gezegd te doen, dat buiten boord steekt en over ’t water hangt.