Wat is de betekenis van uiten?

2019
2022-10-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

uiten

uiten - Werkwoord 1. (refl) zich ~: uiting geven aan gevoelens Hij had vaak moeite zich te uiten. 2. (ov) zeggen Hij uitte een schreeuw. Woordherkomst Afgeleid van uit.

Lees verder
2018
2022-10-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

uiten

uiten - regelmatig werkwoord uitspraak: ui-ten 1. laten zeggen of blijken wat je voelt ♢ hij kan zich moeilijk uiten 2. het uitspreken of laten blijken ♢ je moet je ontevredenheid wel uiten...

Lees verder
1973
2022-10-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Uiten

(uitte, heeft geuit), 1. uitspreken: een kreet uiten; zich uiten, zijn gedachten te kennen geven; 2. zich openbaren, vertonen: een ziekte die zich uit in, die deze symptomen heeft.

Lees verder
1952
2022-10-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Uiten

v., uterje; veelover, gâns losmeitsje oer; zich —, jin uterje, oppenearje; zich zeer ongunstig —, raer guod spuije, út in raer gat blieze.

1950
2022-10-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Uiten

(uitte, heeft geurt), als geluid van zich doen uitgaan, uitspreken: hij uitte bittere klachten; — te kennen gevet: zijn gedachten uiten; een vermoeden uiten; — zich uiten, zijn gedachten te kennen geven, zich uitlaten: hij heeft zich daarover nog niet geuit.

1937
2022-10-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

uiten

uitte, h. geuit (uitspreken, te kennen geven): geen woord kunnen uiten; zich uiten, zijn denkwijze te kennen geven.

1930
2022-10-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

uiten

(uitən) (uitte, heeft geuit) 1. te kennen geven : een mening de wens, de vrees -. 2. spreken: bittere woorden -. 3. z i c h -, zijn gedachten, gevoelens te kennen geven.

Lees verder
1911
2022-10-01
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Uiten

denom. van uit: iets uit, naar buiten brengen; vgl. innen.

1898
2022-10-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

UITEN

UITEN - (uitte, heeft geuit), spreken: hij uitte bittere klachten; — te kennen geven : zijne gedachten uiten; een vermoeden uiten; — zich uiten, zijne gedachten te kennen geven, zich uitlaten. UITING, v. (-en), uiting geven aan zijne verontwaardiging.

Lees verder
1864
2022-10-01
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Uiten

Uiten, bw. gel. (ik uitte, heb geuit), te kennen geven. ZICH -, ww. zijne gedachten te kennen geven, zich uitlaten; spreken.