Uitdrukken
(drukte uit, heeft uitgedrukt), 1. naar buiten drukken. 2. drukkende doen uitlopen, uitpersen: citroenen, bessen uitdrukken; een spons uitdrukken. 3. doven door drukken: een sigaret uitdrukken in een asbakje; 4. te kennen geven, uiten, onder woorden brengen: zijn gedachten uitdrukken; — reflexief: hij kan...