Wat is de betekenis van uitbundig?

2024-05-30
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-30
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

uitbundig

uitbundig - Bijvoeglijk naamwoord 1. het gewone of de maat overschrijdend, buitensporig, bovenmatig 2. op drukke, opgewonden wijze zijn gevoelens uitend Woordherkomst afgeleid van het Duitse ausbündig met het achtervoegsel -ig Synoniemen [1] abundant, overvloedig, rijk, rijkelijk, weelderig, welig [2] enthousiast, gee...

2024-05-30
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

uitbundig

uitbundig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: uit-bun-dig 1. met gezellige kleuren ♢ Truus draagt altijd van die uitbundige kleding 2. heviger dan normaal ♢ de directeur zwaaide hem uitbundige lo...

2024-05-30
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Dr. E. Schröder (1980)

Uitbundig

De omschrijvingen, die men in de woordenboeken vindt: voorbeeldig, uitnemend, voortreffelijk, zijn niet meer in overeenstemming met het tegenwoordige taalgebruik. Wij zeggen: de kinderen hadden uitbundig plezier of: iemand uitbundig prijzen. De definitie der woordenboeken is echter historisch wel te verklaren. Het Duitse zelfstandig naamwoord Ausbu...

2024-05-30
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

uitbundig

oordrewe; lawaaierig.

2024-05-30
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Uitbundig

adj. & adv., bjusterbaeflik.

2024-05-30
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-05-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Uitbundig

bn. bw. (-er, -st), 1. het gewone of de maat overschrijdend, hevig, buitengewoon, bovenmatig: iem. uitbundig prijzen, toejuichen; iem. uitbundige lof toezwaaien. 2. (van pers.) op drukke, opgewonden wijze zijn gevoelens uitend: kinderen en honden doen meestal erg uitbundig; — (van uitingen) zeer nadrukkelijk of hevig plaats hebb...

Wil je toegang tot alle 16 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-05-30
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

uitbundig

bn., bw. (bovenmatig, buitengewoon): uitbundige lof; de rede uitbundig toejuichen.