Wat is de betekenis van uitbroeden?

2019
2022-01-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

uitbroeden

uitbroeden - Werkwoord 1. (ov) eieren verwarmen totdat deze uitkomen Zodra de eieren van nestvlieders uitgeboed zijn, verlaten de jongen het nest. Woordherkomst samenstelling van uit(bijwoord) en broeden(werkwoord) Verwante begrippen broeden

Lees verder
2018
2022-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

uitbroeden

uitbroeden - regelmatig werkwoord uitspraak: uit-broe-den 1. op de eieren zitten tot de jongen eruit komen ♢ de kip heeft drie eieren uitgebroed 1. hij heeft een plan uitgebroed [hij heeft een plan...

Lees verder
2017
2022-01-24
Mark Nelissen

Professor emeritus in de gedragsbiologie.

uitbroeden

uitbroeden - of incubatie. Vorm van ouderzorg, op eieren zitten teneinde ze warm genoeg te houden voor de embryonale ontwikkeling. De term wordt doorgaans enkel voor vogels gebruikt. Het u. wordt vergemakkelijkt door het verschijnen van broedplekken. Afhankelijk van de soort zorgt het wijfje of beide geslachten voor het u.

1973
2022-01-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

uitbroeden

(broedde uit, heeft uitgebroed), 1. door broeden doen uitkomen: eieren —; 2. bedenken, beramen: boze plannen —.

Lees verder
1952
2022-01-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Uitbroeden

v., útbriede.

1950
2022-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Uitbroeden

(broedde uit, heeft uitgebroed), 1. broedende doen uitkomen: eieren uitbroeden; er zijn 10 kuikens uitgebroed. 2. (flg.) als product van zijn geest te voorschijn brengen, bedenken; alleen ongunstig of scherts.: boze plannen uitbroeden; wie heeft dat fraais uitgebroed? Ook UITBROEIEN-.

Lees verder
1937
2022-01-24
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

uitbroeden

de kip broedde uit, h. uitgebroed (1 door broeden doen uitkomen; 2 fig. v. iets slechts: beramen): 1. eieren uitbroeden, de kiekens uitbroeden; 2. boze plannen uitbroeden; ook: uitbroeien.

Lees verder
1898
2022-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

UITBROEDEN

UITBROEDEN, - (broedde uit, heeft uitgebroed), broedende doen uitkomen: eieren uitbroeden; er zijn 10 kuikens uitgebroed; (fig.) booze plannen uitbroeden, beramen. UITBROEDING, v. (-en), het uitbroeden.