Wat is de betekenis van tuigen?

2020
2021-10-24
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

tuigen

Het begrip tuigen heeft 2 verschillende betekenissen: 1) een schip van tuig voorzien. een schip voorzien van de nodige lijnen en zeilen om het zeilklaar te maken; optuigen; uitrusten; toetakelen. 2) een paard van tuig voorzien.

Lees verder
2019
2021-10-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tuigen

tuigen - Werkwoord 1. (verouderd) eruitzien Hy hadt een kort gesneden pruikje op, dat niet onäartig tuigde, met een groot, breet, vry vurig aangezicht [.]<ref>Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart<br>Drie en veertigste brief.<br>Isaac van Cleef 's-Grave...

Lees verder
1973
2021-10-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

tuigen

(tuigde, heeft getuigd), 1. iets optuigen, het tuig aandoen: een paard 2. (zeevaart) van tuig voorzien, optakelen, toerusten.

Lees verder
1952
2021-10-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tuigen

v., tuge, túgje.

1950
2021-10-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tuigen

I. (tuigde, heeft getuigd), 1. optuigen, het tuig aandoen: een paard tuigen. 2. (zeew.) van tuig voorzien, optakelen, toerusten: een schip tuigen. Vgl. Getuigd. II. (tuigde, heeft getuigd), 1. getuigen, getuigenis afleggen; meest oneig., ten bewijze strekken van: dat tuigt voor hem, voor zijn goede smaak. 2. (gew.) tre...

Lees verder
1900
2021-10-24
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

tuigen

Een scheepsonderdeel waarop het tuig wordt aangebracht gebruiksklaar maken (bijvoorbeeld een ra, pompspil, kluiverboom enz.). Ook het optuigen van een schip (zie optuigen).

1898
2021-10-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tuigen

Het begrip tuigen heeft 2 verschillende betekenissen: 1. tuigen - tuigen - (tuigde, heeft getuigd), getuigen, getuigenis afleggen, verklaren; — bewijzen, ten bewijze strekken van: dat tuigt voor hem, voor zijn goeden smaak. 2. tuigen - tuigen - (tuigde, heeft getuigd), optuigen, het tuig aandoen : een paard tuigen; (zeew,) van tuig voorzien...

Lees verder