Wat is de betekenis van Trouwen?

2019
2022-10-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

trouwen

trouwen - Werkwoord 1. ergatief het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen Op 3 juli ga ik trouwen met mijn vriendin. 2. (ov) twee personen in de echt verbinden Dat is de dominee die ons getrouwd heeft....

Lees verder
2018
2022-10-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

trouwen

trouwen - regelmatig werkwoord uitspraak: trou-wen 1. iemand tot je wettige echtgenoot nemen ♢ hij trouwde met haar in de kerk 1. zo zijn we niet getrouwd [dat hebben we niet afgesproken]...

Lees verder
2002
2022-10-01
XYZ van Amsterdam

Geschreven door J. Kruizinga Gerrit Vermeer, 2002

Trouwen

Trouwen geschiedde van 1808 tot 1981, behalve gedurende enige tijd in enkele hulpsecretarieën, in het stadhuis* op de O.Z. Voorburgwal, waar in 1980 nog 2.977 trouwboekjes werden uitgegeven. Van 1 sept. 1981 tot 1988 werd getrouwd in het West-lndisch Huis* aan de Haarlemmerstraat, waar trouwzalen en felicitatieruimten waren ingericht. In dit trouwc...

Lees verder
1977
2022-10-01
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

trouwen

trouwen - met de aanvulling: in ’t hooi of: zonder priester, als eufemistische omschrijving voor: coïre. Trouwen in ’t hooy is mooy (seydense) anders het trouwen in de Kerck Dat duert al te langh. ’tis bykans eeuwigh werck, BURGHOORN, Kluchth. Snorrepypen I, 18 [1644].'s Avonts leggen zy publykelijk over de deur, heel pu...

Lees verder
1973
2022-10-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Trouwen

(trouwde, heeft en is getrouwd), huwen: wanneer denken de jongelui te trouwen?, in de kerk trouwen , het huwelijk laten inzegenen; voor de wet trouwen, op het stadhuis; (spr.) trouwen is houwen, als men getrouwd is kan men er niet meer af ; zo zijn wij niet getrouwd, dàt hebben we niet afgesproken; ten huwelijk nemen; (overdr.) een fortuin...

Lees verder
1952
2022-10-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Trouwen

v., trouwe, boaskje, man-en-wiif wurde; (v. d. man), wiivje; (v. d. vrouw); manje; gaan —, trouwe sille, de lapen byinoar smite, gearsmite, yn ’e lange hier, tsjinst gean; (v. d. man), oan ’t wiif sille; (v. d. vrouw), oan ’e man sille; getrouwd met, troud, boaske oan; nog...

Lees verder
1950
2022-10-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Trouwen

(trouwde, heeft en is getrouwd), I. onoverg., 1. in do spreekt, het gewone woord voor huwen, door het huwelijk verenigd worden: wanneer denken de jongelui te trouwen! in de kerk trouwen, het huwelijk laten inzegenen; — (spr.) trouwen is houwen (woordsp. met huwen), als men getrouwd is kan men er niet meer af; zie ook ...

Lees verder
1937
2022-10-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

trouwen

trouwde, heeft (1, 3), is (2) getrouwd; 1. in de echt verenigen: de dominee trouwde hen; 2. in de echt verenigd worden: dit paartje is vandaag getrouwd; zo zijn we niet getrouwd, dat is niet de afspraak, de overeenkomst; 3. ten huwelijk nemen: een onbemiddeld meisje trouwen; een groot fortuin trouwen, rijk trouwen; fig. je bent er niet aan (of mee)...

Lees verder
1930
2022-10-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

trouwen

('trouwən) (trouwde, getrouwd) I. (heeft) 1. ten huwelijk nemen : een rijk meisje is houwen; jong getrouwd, jong berouwd, ➝ leven. 2. in de echt verbinden : pastoor A heeft ze getrouwd; hij is er niet aan, mee getrouwd, hij zit er niet aan vast. II. (is) door het huwelijk verenigd worden : zij zign gisteren voor de kerk getrouwd; zo zijn w...

Lees verder
1898
2022-10-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Trouwen

Trouwen - (trouwde, heeft en is getrouwd), huwen, door het huwelijk vereenigd worden: wanneer denken de jongelui te trouwen ?; in de kerk trouwen, het huwelijk laten inzegenen ; — huwen, ten huwelijk nemen; een rijk meisje trouwen; in den echt verbinden ; dominee B. heeft ons getrouwd ; — hij is er niet aan getrouwd, hij zit er niet aa...

Lees verder
1573
2022-10-01
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

trouwen

1. Coniugio iungere: & Coniugio iungi, coniugij fidem dare. angl. bethroute. 2. vetus . j. be-trouwen. Fidere, confidere.

Lees verder