Wat is de betekenis van Trouwen?

2023-09-26
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

trouwen

trouwen - Werkwoord 1. ergatief het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen Op 3 juli ga ik trouwen met mijn vriendin. 2. (ov) twee personen in de echt verbinden Dat is de dominee die ons getrouwd heeft....

2023-09-26
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

trouwen

trouwen - regelmatig werkwoord uitspraak: trou-wen 1. iemand tot je wettige echtgenoot nemen ♢ hij trouwde met haar in de kerk 1. zo zijn we niet getrouwd [dat hebben we niet afgesproken]...

Direct toegang tot alle 11 resultaten over Trouwen?

Word nu vriend van Ensie
2023-09-26
XYZ van Amsterdam

J. Kruizinga, Gerrit Vermeer (2002)

Trouwen

Trouwen geschiedde van 1808 tot 1981, behalve gedurende enige tijd in enkele hulpsecretarieën, in het stadhuis* op de O.Z. Voorburgwal, waar in 1980 nog 2.977 trouwboekjes werden uitgegeven. Van 1 sept. 1981 tot 1988 werd getrouwd in het West-lndisch Huis* aan de Haarlemmerstraat, waar trouwzalen en felicitatieruimten waren ingericht. In dit trouwc...

2023-09-26
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

trouwen

trouwen - met de aanvulling: in ’t hooi of: zonder priester, als eufemistische omschrijving voor: coïre. Trouwen in ’t hooy is mooy (seydense) anders het trouwen in de Kerck Dat duert al te langh. ’tis bykans eeuwigh werck, BURGHOORN, Kluchth. Snorrepypen I, 18 [1644].'s Avonts leggen zy publykelijk over de deur, heel pu...

2023-09-26
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Trouwen

v., trouwe, boaskje, man-en-wiif wurde; (v. d. man), wiivje; (v. d. vrouw); manje; gaan —, trouwe sille, de lapen byinoar smite, gearsmite, yn ’e lange hier, tsjinst gean; (v. d. man), oan ’t wiif sille; (v. d. vrouw), oan ’e man sille; getrouwd met, troud, boaske oan; nog...

2023-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Trouwen

(trouwde, heeft en is getrouwd), I. onoverg., 1. in do spreekt, het gewone woord voor huwen, door het huwelijk verenigd worden: wanneer denken de jongelui te trouwen! in de kerk trouwen, het huwelijk laten inzegenen; — (spr.) trouwen is houwen (woordsp. met huwen), als men getrouwd is kan men er niet meer af; zie ook ...

2023-09-26
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

trouwen

trouwde, heeft (1, 3), is (2) getrouwd; 1. in de echt verenigen: de dominee trouwde hen; 2. in de echt verenigd worden: dit paartje is vandaag getrouwd; zo zijn we niet getrouwd, dat is niet de afspraak, de overeenkomst; 3. ten huwelijk nemen: een onbemiddeld meisje trouwen; een groot fortuin trouwen, rijk trouwen; fig. je bent er niet aan (of mee)...

2023-09-26
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

trouwen

('trouwən) (trouwde, getrouwd) I. (heeft) 1. ten huwelijk nemen : een rijk meisje is houwen; jong getrouwd, jong berouwd, ➝ leven. 2. in de echt verbinden : pastoor A heeft ze getrouwd; hij is er niet aan, mee getrouwd, hij zit er niet aan vast. II. (is) door het huwelijk verenigd worden : zij zign gisteren voor de kerk getrouwd; zo zijn w...

2023-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Trouwen

(trouwde, heeft en is getrouwd), huwen: wanneer denken de jongelui te trouwen?, in de kerk trouwen , het huwelijk laten inzegenen; voor de wet trouwen, op het stadhuis; (spr.) trouwen is houwen, als men getrouwd is kan men er niet meer af ; zo zijn wij niet getrouwd, dàt hebben we niet afgesproken; ten huwelijk nemen; (overdr.) een fortuin...

2023-09-26
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Trouwen

Trouwen - (trouwde, heeft en is getrouwd), huwen, door het huwelijk vereenigd worden: wanneer denken de jongelui te trouwen ?; in de kerk trouwen, het huwelijk laten inzegenen ; — huwen, ten huwelijk nemen; een rijk meisje trouwen; in den echt verbinden ; dominee B. heeft ons getrouwd ; — hij is er niet aan getrouwd, hij zit er niet aa...

2023-09-26
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

trouwen

1. Coniugio iungere: & Coniugio iungi, coniugij fidem dare. angl. bethroute. 2. vetus . j. be-trouwen. Fidere, confidere.