Wat is de betekenis van Trouw?

Synoniemen van Trouw

2019
2020-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

trouw

trouw - Zelfstandignaamwoord 1. het zich houden aan een verbintenis 2. het huwlijk trouw - Bijvoeglijk naamwoord 1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen Hij is een trouwe werknemer voor zijn baas. trouw - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoo...

Lees verder
2018
2020-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

trouw

trouw - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. wie zich houdt aan wat hij beloofd of afgesproken heeft ♢ haar trouwe vriend laat haar niet in de steek 1. te goeder trouw zijn [eerlijk en oprecht zijn]...

Lees verder
2007
2020-11-29
Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Trouw

Trouw behoort samen met dapperheid van oudsher en in haast alle culturen tot de canon van de fundamentele deugden. Het gaat om een niet-moderne deugd, omdat trouw refereert naar relaties van lotsverbondenheid via afstamming, huwelijk, vriendschap en dergelijke, die lijken in te gaan tegen de vrijheid en de autonomie. Trouw lijkt ook een gevaarlijke...

Lees verder
2002
2020-11-29
XYZ van Amsterdam

Geschreven door J. Kruizinga Gerrit Vermeer, 2002

Trouw

Trouw, dagblad, werd op 30 jan. 1943 opgericht ten huize van Gezina H.J. van der Molen te Aerdenhout. Aanwezig waren verder Jan Schouten, J.A.H.J.S. Bruins Slot (oud-burgemeester van Aadorp) en E. van Ruller, redacteur van De Rotterdammer, het door de Duitsers verboden christelijke dagblad. In de lange rij van illegale bladen (er zijn er bijna 1.20...

Lees verder
1997
2020-11-29
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

trouw

De mens hoefde niet altijd God, een heilige of heilige plaatsen tot getuigen aan te roepen dat hij de waarheid spreekt. Hij kon dat ook doen door te zweren op de trouw aan een gegeven woord. In al onze ridderromans vindt men dan ook bi(der) trouwen (mijn); trouwe(n); op trouwe; bi mire (miere) trouwe(n); bi onser trouwen; bider trouwen mine, mii...

Lees verder
1985
2020-11-29
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

TROUW

protestants-christelijk dagblad, opgericht op 20 jan. 1943 als illegaal blaadje in de Tweede Wereldoorlog, een van de grootste ondergrondse kranten; op 1 nov. 1944 legaal naar voren gekomen als dagblad in het bevrijde Noord-Brabant; in mei 1945 als landelijk dagblad vanuit Amsterdam.

1980
2020-11-29
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Trouw

Er is een zelfstandig naamwoord trouw en een bijvoeglijk naamwoord trouw. Het eerste betekent: belofte, geloof en ook: huwelijksvoltrekking. Het tweede betekent: betrouwbaar, gelovig, aanhankelijk. Hierbij behoort het werkwoord vertrouwen. Bij allerlei volkeren was trouw zeer belangrijk, vooral in de verhouding van de dienaren tot de vorst en van d...

Lees verder
1977
2020-11-29
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

trouw

trouw - maagdelijkheid (vgl. eer). Zie een citaat onder reizen.

1973
2020-11-29
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Trouw

Ned. protestants-christelijk dagblad, tijdens de Duitse bezetting als illegaal blad opgericht door J.Bruins-Slot, G.H J.van der Molen en E.van Ruller, voor het eerst verschenen op 20.1.1943. De oprichting van Trouw stond in verband met een verschil van mening tussen de hoofdredactie van Vrij Nederland en de belangrijkste organisatoren van het dist...

Lees verder
1955
2020-11-29
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

TROUW

cirkelt niet om een „ik”, dat zichzelf wil blijven doch om een „gij”, waaraan ik me gebonden weet. Daarom geef ik mijn woord, dat, in trouw beaamd, gemeenschap schept en me behoedt voor een uiteen vallen in tijd en ruimte. In de trouw word ik ook aan mezelf geschonken.Trouw wekt vertrouwen maar veronderstelt het ook. Zij kan...

Lees verder
1898
2020-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Trouw

Het begrip trouw heeft 2 verschillende betekenissen: 1. trouw - trouw - bn. bw. (-er, -st), getrouw, innig verbonden, zeer gehecht (aan); trouwe vrienden; zijne beminde trouw zijn; trouwe gade; een trouwe hond; — trouwe dienstboden, die nauwgezet hun plicht vervullen, die gehecht aan hunne meesters zijn; — zich stipt houdende aan zijn...

Lees verder