Wat is de betekenis van Trots?

2020
2021-09-19
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

trots

Het begrip trots heeft 7 verschillende betekenissen: 1) groot gevoel van eigenwaarde. groot gevoel van eigenwaarde tot uitdrukking komend in de behoefte niet toe te geven of zich niet ondergeschikt te maken; zelfbewustzijn; fierheid. 2) gevoel van bewondering en voldoening. gevoel van bewondering en voldoening wegens eigen verdienste...

Lees verder
2019
2021-09-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

trots

trots - Bijvoeglijk naamwoord 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft 2. vervuld van eigen grootheid Jullie moeten ons, trotse Grieken, lenen zonder voorwaarden op te leggen (en of we ooit terugbetalen, moeten jullie maar afwachten 3. (pejoratief) verwaand, hoogmoedig, hoovaardig, hooghart...

Lees verder
2018
2021-09-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

trots

trots - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. wie zich meer voelt dan een ander ♢ hij is te trots om toe te geven dat hij een fout maakte 1. door haar trots is ze niet erg geliefd [doordat ze zich meer...

Lees verder
2017
2021-09-19
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Trots

Trots - als een hond met zeven staarten, lullen erg trots.

1998
2021-09-19
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Trots

zo - als een hond/aap met zeven lullen/ruggen/staarten erg trots. De varianten met ruggen/staarten zijn slang, die met lullen vulgair slang. Ik zag me al lopen in Londen - als een hero - met grote medailles behangen en zo trots als een hond met zeven lullen. (Haring Arie: Tweede Boek, 1969) Nijmans grootste succes was de transfer van John de Wolf...

Lees verder
1980
2021-09-19
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Trots

Sinds de Lutherbijbel in het Nederlands is vertaald, komt het zelfstandige naamwoord trots in onze taal voor in de betekenis: hoogmoed, overmatig gevoel van eigenwaarde, verwatenheid. Het werd ook gebezigd voor de uit hoogmoed voortkomende honende bejegening en betekende dus ook: kwetsend woord, smaad. Men kon iemand een trots aandoen en bij Hooft...

Lees verder
1965
2021-09-19
Lexicon van de Psychologie

N.Sillamy

TROTS

houding die bepaald wordt door een sterk gevoel van eigenwaardè en van eigen verdiensten, met de neiging deze te overschatten. Iemand die trots is, is vaak autoritair en onverdraagzaam, laat graag zien hoe capabel hij is: dit maakt hem vaak onsympathiek, ja zelfs onuitstaanbaar in het maatschappelijk leven.

1952
2021-09-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Trots

1. s., greatens, greatskens, great(ich)heit, greatskichheit, ynfierenheit, batskens. 2. adj. & adv., great(sk), greathertich, ynfieren, batsk, brimsk, bromstich, (great)boarstich, proastich, poazich, kroppich, heech; — zijn, gâns, frijhwat smoar hawwe, gâns in krop, boarst sette, it boarst heech hawwe; ...

Lees verder
1950
2021-09-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Trots

I. m. gmv., 1. de vervuldheid van en het doen blijken van het (al of niet gerechtvaardigde) gevoel dat men meer is dan anderen: ridderlijke trots; zijn rijkdom vervulde hem met trots; de trots te behoren tot een oud' en beroemd geslacht; — (in ongunst. zin) hoogmoed, het gevoel als hiervóór genoemd wann...

Lees verder
1933
2021-09-19
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Trots

Syn. voor ➝ hoogmoed.

1898
2021-09-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Trots

Het begrip trots heeft 3 verschillende betekenissen: 1. trots - trots - m. hoogmoed, laatdunkendheid, het gevoel dat men meer is dan anderen en dit in alles laat blijken: onverdraaglijke trots; zijn trots kende geene grenzen; adeltrots; — fierheid, groot zelfvertrouwen dat tot groote dingen te doen in staat stelt: edele, rechtmatige trots:...

Lees verder
1898
2021-09-19
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Trots

zie Hoogmoed.