Wat is de betekenis van Troost?

2020
2021-12-01
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

troost

(1920) (euf.) borrel; sterke drank. Eerder (19e eeuw) had men het in de volksmond over: troost der armen. Zie echter ook: bakje troost. • Hij neemt een glaasje troost der armen. Als de arme nergens uitkomst meer ziet , dan neemt hij zijne toevlucht tot de jenever. (P.J. Harrebomée: Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal. 1858-1862)...

Lees verder
2019
2021-12-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

troost

troost - Zelfstandignaamwoord 1. steun bij verdriet of pijn De bronzen medaille bleek een schrale troost voor de competitief ingestelde Jan. troost - Werkwoord 1. enkelvoud tegenwoordige tijd van troosten 2. gebiedenwijs van troosten Verwante begrippen vertroosting

Lees verder
2018
2021-12-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

troost

troost - zelfstandig naamwoord 1. wat je verdriet minder erg maakt ♢ ze zoekt troost bij haar vriendin Zelfstandig naamwoord: troost de troost

Lees verder
2017
2021-12-01
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Troost

Troost komt in verschillende samenstellingen of uitdrukkingen voor in de betekenis 'borrel' of 'sterke drank'. Omstreeks 1874 werd een borrel wel een glaasje troost der armen genoemd. De Utrechtse taalkundige De Vooys signaleerde in 1920 dat een borrel een kopje troost werd genoemd. Overigens werd de 'troost' soms echt in een kopje geserveerd, bijv...

Lees verder
1997
2021-12-01
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

troost

In vroeger eeuwen zwoer men bij allerlei lichamelijke ongemakken, ziektes en kwalen. Zo vinden wij in de Beroyde Student [1646] van J. Noozeman de bastaardvloek gans krancke troost ‘bij Gods schrale troost’. Ik vat krank op als bijvoeglijk naamwoord in de betekenis ‘zwak, schraal’. In Vlaanderen komt vo...

Lees verder
1980
2021-12-01
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Troost

Het Nederlandse troost is verwant met trouw, Duits treu, Engels true, Zweeds trygg. De eigenlijke betekenis van die woorden is: vast, zeker, sterk. Ons woord troost kwam dan ook vroeger voor in de betekenis: hulp, bijstand, bijvoorbeeld bij Hooft. Een oude zegswijze luidt: een goed kind is zijns vaders troost. Ook daar betekent troost: steun. Een a...

Lees verder
1973
2021-12-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Troost

Cornelis, Ned. schilder en graveur, *8.10.1697 te Amsterdam, ♱7.3.1750 te Amsterdam. Troost was een leerling van de portretschilder en pasteltekenaar A.Boonen. Nieuw in de 18e eeuw waren zijn zedenen theaterstukken, vaak ontleend aan eigentijdse blijspelen. Zijn portretten geven een goed beeld van de 18e-eeuwse portretkunst in Nederland. De in o...

Lees verder
1969
2021-12-01
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Troost

Troost - zie M. Antoinette E. Wentholt.

1955
2021-12-01
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Troost

(Barg.) koffie; een kopje troost.

1952
2021-12-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Troost

s., treast(ing).

1950
2021-12-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Troost

m., 1. verzachting, leniging van smart of droefenis (door woorden of daden), vertroosting, het troosten: woorden van troost en opbeuring; bij iem. troost zoeken; — (zegsw.) dat is een schrale troost, daar heb je niet veel aan, dat helpt niet veel. 2. (in verzwakte opvatting) vergetelheid, dat wat strekt om verdrietige oms...

Lees verder
1949
2021-12-01
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

troost

koffie. Een kommetje troost.

1937
2021-12-01
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

troost

m.; vertroosting, bemoediging; leniging van smart, droefheid: bij iem. (zijn) troost zoeken, vinden; een schrale troost: dat is tenminste één troost; een kopje troost, koffie (met suiker).

1926
2021-12-01
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Troost

Behoefte aan troost bestond niet in de zondelooze paradijswereld, waar geen tranen van de oogen waren te wisschen, omdat er een louter vreugdeleven geleid werd. De zondeval bracht echter een stroom van ellende over de menschheid: zorg, kommer en verdriet; ontbering, armoede en nood; angst, benauwdheid en vertwijfeling; een heirleger van kwalen en k...

Lees verder
1916
2021-12-01
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Troost

Troost - Cornelis Troost, geb. 1697 te Amsterdam, aldaar gest. 1750. Hollandsch portret- en genreschilder en pastellist, terwijl hij ook als prentkunstenaar grooten naam verwierf. Hij schildert voornamelijk illustratief, conversatie-stukken en composities voor het theater, waarvoor hij zich in het bijzonder interesseerde. Dit zijn wel zijn meest be...

Lees verder
1898
2021-12-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Troost

Troost - m. verzachting, leniging van smart of droefenis (door woorden of daden), vertroosting, het troosten : ergens troost in zoeken, vinden; dat is mijn eenige troost; iem. troost toespreken ; hulp, bijstand : bij iem. troost zoeken ; hij is mijn troost en mijn steun; — (gemeenz.) een kopje troost, koffie; — (gew.) armelui’s t...

Lees verder