Wat is de betekenis van tronie?

2020
2022-01-21
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

tronie

smoel. gelaat met een weerzinwekkende uitdrukking of lelijkheid; smoel. Voorbeelden: Op één van mijn patrouilles betrapte ik een vrouw terwijl ze hondenbrokken en bier aan het stelen was. Discreet volgde ik haar en arresteerde de dievegge aan de uitgang [...]. Ik bekeek haar tronie, een lelijke kop vol levervlekken. Haa...

Lees verder
2020
2022-01-21
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

tronie

UIT: Kok de taalvernieuwer (De Limburger, 30 januari 2010) CONTEXT: Exhibitionistische zelfbeheersing: exhibitionistische zelfverloochening zonder met de ogen te knipperen. De term kreeg bekendheid door Wim Kok, die in 2010 voor een parlementaire commissie de hem typerende licht-chagrijnige TRONIE moeiteloos in de plooi wist te houden. : gezicht,...

Lees verder
2019
2022-01-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tronie

tronie - Zelfstandignaamwoord 1. (anatomie), (pejoratief) gezicht Hij kreeg een welverdiende mep op z'n tronie. Woordherkomst Ontleend uit het Frans trogne (15e eeuw), oorspronkelijk van Gallisch trugna, vgl. Welsh trwyn.

Lees verder
1993
2022-01-21
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Tronie

gezicht

1973
2022-01-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

tronie

v. (—s), gelaat, gezicht; thans alleen minachtend: een lelijke —.

1955
2022-01-21
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Tronie

aangezicht; gelaat, tronqueren, afknotten, verminken.

1952
2022-01-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tronie

s., troanje, troanjemint (it).

1950
2022-01-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tronie

v. (-s), gelaat, gezicht, thans alleen minacht.: een lelijke, rode tronie; — ook van beelden: de afgrijselijke tronies der afgodsbeelden.

1949
2022-01-21
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

tronie

gezicht. Zet een ander tronie.

1948
2022-01-21
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

tronie

v. (aan)gezlcht; bakkes.

1937
2022-01-21
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

tronie

v. -s, tronietje; (Fr. trogne), ong. aangezicht, bakkes: min. een lelijke tronie.

1898
2022-01-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tronie

Tronie - v. (-s), (plat) gelaat, aangezicht: eene leelijke, roode tronie; iem. op zijne tronie trommelen. hem in zijn gezicht slaan. TRONIETJE, o. (-s).