Wat is de betekenis van troef?

2019
2021-01-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

troef

troef - Zelfstandignaamwoord 1. (kaartspel) een kaart van een kleur die hogere waarde heeft dan andere kleuren Samen hadden zijn acht van de dertien troeven in handen. troef - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van troeven ♢ Ik ...

Lees verder
2018
2021-01-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

troef

troef - zelfstandig naamwoord 1. speelkaart die aangeeft welke figuur een hogere waarde heeft ♢ bij dit spelletje klaverjassen is schoppen troef 1. je laatste troef uitspelen [je laatste kans gebruiken]...

Lees verder
1998
2021-01-17
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

troef

1. De kleur waarin het contract wordt gespeeld. 2. Een kaart van die kleur. Een ‘troef’ gaat boven alle kaarten van de andere drie kleuren. Zie ook:

Lees verder
1977
2021-01-17
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

troef

troef - in de verb. troef in, troef uit, gebezigd ter plastische aanduiding van de ritmiek bij de geslachtsdaad (vgl. voor meer erotische termen uit het kaartspel o.a. bellebruiden, roemsteek, volte spelen). Wyl zy 194 op ’t dons Liep met haar minnaars vinken: En troef in, troef uyt, Op haar zachte luyt, Liet vrouw Venus snaaren klinken, WEYE...

Lees verder
1973
2021-01-17
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

troef

v./m. (troeven), kaarten van een bepaalde soort of kleur waarmee andere kaarten (in het spel) genomen of geslagen kunnen worden: — spelen, uitspelen, een slag beginnen met een troefkaart; een bepaalde kaart van de soort die troef is; (zegsw.) alle troeven in handen hebben; zijn laatste — uitspelen, van zijn laatste kans gebruik maken: e...

Lees verder
1950
2021-01-17
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Troef

v. (...ven), troefje, o. (-s), 1. kaarten van een bep. soort of kleur waarmee andere kaarten (in het spel) genomen of geslagen kunnen worden: ruiten, hartenvrouw is troef; — troef bekennen, een troefkaart bijspelen; — troef verzaken, een troefkaart niet spelen; geen troef verzaken (fig.), de gelegenheid tot v...

Lees verder
1921
2021-01-17
Levende taal

T. Pluim - 1921

Troef

(troefkaart), met uitstooting der m van ’t Fr. triomph, uit ’t Lat. triumphus = zege, overwinning; immers de troefkaart o verwint de anderen. Daar is armoede troef = daar heerscht armoede (ze viert er haar triumfen; ze overwint al het andere). Zijn laatsten troef uitspelen: nog het laatste middel, waarover men beschikt, aanwenden in de...

Lees verder
1898
2021-01-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Troef

Troef - v. (...ven), kaart waarmede andere kaarten (in het spel genomen of geslagen worden); hartenvrouw is troef; troef bekennen, eene troefkaart bijspelen ; troef verzaken, geen troefkaart spelen; troef keeren, eene kaart keeren, nadat men de kaarten heeft rondgegeven, die alle andere kaarten van die kleur tot troeven maakt; (fig.) hij verzaakt n...

Lees verder