Wat is de betekenis van triviaal?

2019
2021-02-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

triviaal

triviaal - Bijvoeglijk naamwoord 1. gewoon 2. (pejoratief) platvloers, vulgair 3. zonder wezenlijke betekenis, onbeduidend 4. (wiskunde) evident Woordherkomst afgeleid van het Latijnse via (weg) met het voorvoegsel tri- met het achtervoegsel -aal Verwante begrippen onbenullig, plat, banaal

Lees verder
2018
2021-02-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

triviaal

triviaal - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: tri-vi-aal 1. akelig gewoon of alledaags ♢ ik schaamde me voor zijn triviale opmerkingen 2. niet belangrijk ♢ hij maakte weer zo'n triviale opmerking...

Lees verder
1993
2021-02-28
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Triviaal

plat; alledaags; laag-bij-de-gronds

1992
2021-02-28
Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Triviaal

In de logica worden bepaalde uitspraken, met name universele (zie zinnen, proposities, uitspraken) en conditionele uitspraken, vaak ruimer opgevat dan in het gewone denken. ‘Alle eenhoorns zijn zwart’ betekent dan ‘er zijn geen niet-zwarte eenhoorns’, en is dus waar als er helemaal geen eenhoorns bestaan. ‘Als p, dan q waarin p en q proposities zij...

Lees verder
1981
2021-02-28
zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

triviaal

alledaags, afgezaagd, vaak in de betekenis van plat, laag-bij-de-gronds.

1973
2021-02-28
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

triviaal

[Lat.j, bn. (—vialer, —st), gewoon, alledaags, onbeduidend; platvloers, laag-bij-de-gronds: triviale genoegens; zonder wezenlijke betekenis; triviale naam, (scheikunde) ben. die niets met de structuur te maken heeft, b.v. salmiak voor ammoniumchloride.

1950
2021-02-28
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Triviaal

(<Fr.-Lat.), bn. (...aler, -st), plat, laag, alledaags; — zonder wezenlijke betekenis.

1948
2021-02-28
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

triviaal

alledaags, plat, gemeen, laag bij de grond.

1939
2021-02-28
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Triviaal

( < Lat. trivialis; < trivium = driesprong; < via = weg). Het kreeg de betekenis van ,,alledaags, banaal”, omdat er zo op hoeken van straten gepraat wordt. In de M.E. beduidt trivium echter de laagste afdeling van het onderwijs in de zeven vrije kunsten, die grammatica, rhetorica en dialectica omvat. Daardoor kreeg triviaal de beteke...

Lees verder
1916
2021-02-28
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Triviaal

Triviaal - (Lat.), plat, gemeen, afgeleid van trivium = driesprong, waar het gepeupel loerde op de kliekjes van de tafels der welgestelden, welke deze aldaar als offer aan Trivia hadden neergelegd.

1914
2021-02-28
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

triviaal

triviaal - alledaagsch; afgezaagd;plat, gemeen.

1898
2021-02-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Triviaal

Triviaal - bn. (...aler, -st), gemeen, plat, laag, alledaagsch, onfatsoenlijk, dubbelzinnig.

1864
2021-02-28
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

triviaal

triviaal - bn. (trivialer, triviaalst), gemeen, plat, laag, alledaagsch, onfatsoenlijk