Wat is de betekenis van trekvogel?

2020
2021-12-07
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

trekvogel

vogel die het broedgebied verlaat. vogel die tijdelijk uit zijn broedgebied wegtrekt, meestal om te overwinteren in gebieden met betere weersomstandigheden en meer voedsel; vogel die het broedgebied verlaat. Voorbeelden: Voor het aspect vogeltrek is kennis over vlieghoogte, afstand uit de kust, effecten van verlichting, enz. nog scha...

Lees verder
2019
2021-12-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

trekvogel

trekvogel - Zelfstandignaamwoord 1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd

Lees verder
2018
2021-12-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

trekvogel

trekvogel - zelfstandig naamwoord uitspraak: trek-vo-gel 1. vogels die naar een andere streek vliegen als het seizoen verandert ♢ deze trekvogels zijn in de winter altijd in het zuiden Zelfstandig naamwoord: trek-vo-gel ...

Lees verder
2017
2021-12-07
Mark Nelissen

Professor emeritus in de gedragsbiologie.

trekvogel

trekvogel - Vogel die periodiek, doorgaans jaarlijks, aan migratie doet, waarbij andere geografische plaatsen worden opgezocht met andere klimatologische omstandigheden, bijvoorbeeld voor de voorplanting. Voorbeelden zijn zwaluwen, ooievaars, eenden, diverse zangvogels...

1974
2021-12-07
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

trekvogel

trekt na de broedtijd weg en komt in het voorjaar weer terug naar het broedgebied. Zomergasten (ooievaar, zwaluw), broeden hier; wintergasten (bonte kraai, zwaan) komen uit hun broedgebied hier de winter doorbrengen; doortrekkers (grauwe gans) passeren ons land op weg naar hun broedgebied en naar hun winterkwartier, ➝ invasievogel.

1973
2021-12-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

trekvogel

m. (-s), een vogel die na de broedtijd in een bepaalde richting wegtrekt en in het voorjaar weer naar het broedgebied terugvliegt (e); (fig.) iemand die vaak van woonen verblijfplaats verandert. (e) Tussen trekvogel en standvogel (die levenslang op ongeveer dezelfde plaats blijft waar hij het eerst gebroed heeft) bestaan allerlei overgangen, b.v. z...

Lees verder
1954
2021-12-07
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Trekvogel

Onder t. verstaat men vogels, die zich in de herfst van de broedplaatsen naar de overwinteringsgebieden en in het voorjaar in omgekeerde richting verplaatsen. Soms is de afstand tussen beide gebieden betrekkelijk gering (b.v. bij spreeuwen enige honderden km), maar vaak is de afstand ook vele duizenden km, b.v. bij ooievaars en zwaluwen. Vb. van sc...

Lees verder
1952
2021-12-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Trekvogel

s., trekfûgel.

1950
2021-12-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Trekvogel

m. (-s), ben. voor de vogels die met de wisseling der seizoenen bep. streken opzoeken, resp. verlaten, en daarbij in grote troepen en langs vaste routes vliegen; — (fig.) iem. die gedurig van woon- of verblijfplaats verandert, zich nu hier dan daar bevindt.

1937
2021-12-07
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

trekvogel

m. -s; vogel, die op gezette tijden gaat of komt; fig. iem., die gedurig van verblijfplaats verandert: de ooievaar is een trekvogel.

1916
2021-12-07
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Trekvogel

Trekvogel - een vogel, die met het invallen der koude naar warmere streken trekt, uit voedselgebrek of om dit te voorkomen, en wel uit die streken, waar zij geboren zijn. Tegenover Standvogel, die levenslang blijft op de plaats, waar hij geboren is, en tegenover zwerfvogel, die zich wel van zijn broedplaats verwijdert, maar steeds in hetzelfde klim...

Lees verder