Wat is de betekenis van treiter?

2019
2020-12-02
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

treiter

hoofd, gezicht In 1955 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. • ‘Ik kijk wel uit. Ben niet kreesie! Heb het uit zijn jat gehaald en midden in haar treiter gegooid.’ ¶ G.P. Smis, Het nieuwe spionnetje (1955), p. 48 • ‘Ik schijt peuken van je treiter, mafkees. Nog één keer iets wat mij niet bevalt en ik pak je persoonlijk aan. I...

Lees verder
2019
2020-12-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

treiter

treiter - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van treiteren ♢ Ik treiter 2. gebiedende wijs van treiteren treiter! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van treiteren treiter je?...

Lees verder
2014
2020-12-02
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

treiter

(etym.?) 1. (ongunstig) hoofd, gezicht: Haai is moedirs mauiste al niet, moar as ie dèn sulleke traatirs trek, nou dèn mot je fèn sèllif mei lache, SMIS4 203; 2. treitertje, krentenmikje: QUERIDO 2, 376.

Lees verder
1949
2020-12-02
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

treiter

een brood. Een krentetreiter, een krentebrood. Hij kreeg 3 maanden voor een treitertje. Een bakker bekeuren of op zijn kop tikken voor een paar treiters.

Lees verder
1933
2020-12-02
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Treiter

of trawler, een visschersvaartuig, dat met stoom wordt gedreven. Het is in gebruik op de Noordzee en bezigt als vischtuig een sleepnet.

1914
2020-12-02
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

treiter

treiter - (argot) brood; „treiterchocolade” : melk-en-water in de gevangenis, dat bij het brood wordt gegeven; „treitertippelaar”: brooddief.

1898
2020-12-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Treiter

Treiter - m. (-s), iem. die treitert: het is een rechte treiter.