Tonen
I. TONEN (toonde, heeft getoond), I. o verg., 1. laten zien : een boek, zijn werk tonen ; — aanwijzen : iets met de vinger tonen ; — (zeew.) een vlag, zijn kleuren tonen, zich door het hijsen der vlag doen kennen ; — (oneig.) zijn hielen tonen, weglopen, op de vlucht gaan ; — iem. een vuist...