Ton
v. (-nen), 1. gekuipt houten vat, ongeveer cylindervormig. maar in het midden wijder : een lege, een grote ton : Jan Huigen in de ton (kinderrijmpje en spel) ; met de inhoud : een ton bier, haring ; — (zegsw.) zo rond als een ton zijn, zich dik gegeten hebben ; — wij zaten als haringen in een ton, dicht op el...