Wat is de betekenis van toevalligheid?

2024-06-17
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-17
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

toevalligheid

toevalligheid - zelfstandig naamwoord uitspraak: toe'val-lig-heid 1. een onverwachte gebeurtenis of omstandigheid ♢ er is bij dit ongeluk geen sprake van toevalligheid Zelfstandig naamwoord: toe'val-lig-heid de toeva...

2024-06-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Toevalligheid

v., 1. verschijnsel of eigenschap, feit van het toevallig zijn: de toevalligheid van zijn bestaan; 2. (...heden) onverwachte, onvoorziene, toevallig optredende gebeurtenis of omstandigheid: een samenloop van toevalligheden.

2024-06-17
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

toevalligheid

v. -heden; het toevallige; wat bij toeval gebeurt.

2024-06-17
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

toevalligheid

v. (...heden) 1. Eig. het toevallig zijn. 2. Metn. toevallige gebeurtenis.

2024-06-17
Het juiste woord

Dr. L. Brouwers (1928)

Toevalligheid

Adjectief: toevallig, doodtoevallig, stomtoevallig, onbestendig, casueel (ka...), occasioneel (okka...). Werkwoord: staatsloten verkopen, collecteren (koliek...), het lot werpen, het lot trekken, door het lot beslissen (uitmaken), uitloten, verloten, aflaten (Zn.), de loten splitten (splitsen), loten om iets, strootje trekken, lotj...

2024-06-17
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Toevalligheid

v., 1. feit van het toevallig-zijn: de toevalligheid van zijn bestaan; 2. (-heden) toevallig optredende gebeurtenis of omstandigheid: een samenloop van toevalligheden.