Wat is de betekenis van Toet?

2020
2022-01-27
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Toet

Vleivorm uit de kindertaal, mogelijk van Lodewijk.

2020
2022-01-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

toet

1) (17e eeuw) (inf.) 1) gezicht; 2) mond. 'Iemand op zijn toet slaan.' • toet v. toeten, toetje, mond, mondje; kindertoet, strooptoet; van een lekkerbekje zegt men, wat heeft dat kind een lekker toetje. Zamenstelling: diktoet, smultoet, toetebakkes. (J. Bouman: De Volkstaal in Noord-Holland. Inhoudende een lijst van woorden, die in deze provin...

Lees verder
2019
2022-01-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

toet

toet - Tussenwerpsel 1. geluid van een hoorn, claxon of toeter, kort loeiend geluid toet - Zelfstandignaamwoord 1. toegespitste mond 2. (informeel) zoen of kus 3. (informeel) gezicht 4. (zoogdieren) (jong) vrouwtjesvarken 5. (informeel) klein meisje, kind 6. putje, kuiltje 7. in een knot opgestoken hoofdhaar toet...

Lees verder
1973
2022-01-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

toet

m. (-en), 1. (gemeenz.) mond, en vandaar: gezicht: het kind had zijn — vol slagroom; 2. een lekkere —, een schat, een lieveling; 3. wrong haar, knoetje: het haar in een — dragen.

1952
2022-01-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Toet

s., tût.

1950
2022-01-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Toet

I. m. (-en), TOETJE, o. (-s), 1. gespitste mond: ze maakte een toetje en dronk aan het fonteintje; luchtig maakte hij een toet van zijn lippen; 2. (niet alg.) kus: een toet geven; 3. (gemeenz.) mond, en vandaar: gezicht: ’t kind had een toetje vol slagroom; een leutige, frisse toet; — een toet trekk...

Lees verder
1949
2022-01-27
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

toet

mond. Kom er uit, dan kan je je toet onder de kraan houen; water aan je nest brengen, dat doe ik vast niet.

1937
2022-01-27
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

toet

m. -en; 1. wrong: het haar in een toet dragen; 2. hoofd; gezicht; snuit: wat eau de cologne op m’n toet; hou je toet! Leentje maakte een toetje en dronk zo aan het welletje, dat liep uit Jantjes hand; lekkere toet, lieve schat; gmz.

Lees verder
1898
2022-01-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Toet

Toet - m. (-en), het haar in een toet dragen, wrong ; een toet haar, haarwrong, (ook) eene dot haar; — (gemeenz.) hou je toet, je tuit, je gezicht, zwijg; een toet trekken, gezichten trekken; lekkere toet, schat, lieveling. TOETJE, o. (-s).

Lees verder