Synoniemen van toer

2019-10-23

toer

toer - zelfstandig naamwoord 1. het kunnen doen van iets moeilijks ♢ het was een hele toer om die slingers op te hangen 1. halsbrekende toeren verrichten [ingewikkelde of gevaarlijke dingen doen] 2. keer dat een voorwerp om een as draait ♢ deze centrifuge maakt heel wat toeren <...

2019-10-23

Toer

1 de- doen, de baan opgaan; aan straatpros- titutie doen. In het slang van homoseksuelen. 2. een - bouwen/maken, een opmerkelijke prestatie leveren in het openbaar, waarbij dan gedacht wordt aan een zekere triomf en de nodige bijval; indruk proberen te maken; in de kijker willen lopen. Syn. de blits/blitz maken. Sinds het begin van de jaren zestig in jeugdkringen; tegenw. verouderd. Hiervan afgeleid het zelfstandig naamwoord toerenbouwer ‘iemand die indruk probeert te maken; blit- ser\ ‘Mi...

2019-10-23

toer

toer - Zelfstandignaamwoord 1. (Jiddisch-Hebreeuws) rij, kolom toer - Zelfstandignaamwoord 1. (rond)reis, tour 2. omwenteling 3. rij steken naast elkaar 4. moeilijk, zwaar werk 5. (techniek) winding waarmee een snoer of kabel om iets heengeslagen wordt 6. beurt -> toerbeurt toer - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toeren ♢ Ik toer 2. gebiedende wijs van toeren ...

2019-10-23

toer

(de; -en) - rit, tocht, reis, bv. met de fiets

2019-10-23

Toer

Toer - m. (-en), ronde, kring; (breistorst.) een loer breien, eenmaal rond; een boer steken, eene ronde; een toer mazen, steken naast elkaar, in tegenst. met eene rij steken, die boven elkander zijn; — wandeling (te voet of te paard): een toertje maken; — rondreis : een toer door Duitschland,; de inspecteur is op zijn jaarlijkschen toer; — kunststuk, kunstverrichting, taak : het was een toer, het kostte veel moeite en inspanning; rekenen is een heele toer voor hem; goocheltoeren; de versch...