Wat is de betekenis van toen?

2020
2022-11-27
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Toen

Zie Antonius

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

toen

toen - Voegwoord 1. op het tijdstip dat Hij ging naar huis toen het vijf uur was. toen - Bijwoord 1. op of na dat tijdstip Hij is toen naar huis gegaan. 2. in een vervlogen tijd Toen was dat nog...

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

toen

toen - bijwoord, voegwoord 1. na dat andere ♢ eerst trok ik mijn shirt aan en toen mijn trui 2. op dat ogenblik, in die tijd ♢ toen droegen we korte rokken 1. van toen af aan...

Lees verder
1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Toen

I. bw., 1. op het ogenblik, destijds: hij was net gepromoveerd; daarna, daarop, vervolgens: wat deed je toen ? hij zweeg maar; zeer gewoon is de vraag en toen? naar het vervolg van een verhaal; II.voegw., ten tijde dat, op het ogenblik dat: vroeger, ze haar man nog had; ze dacht er al over om het land te verlaten, toen er geldelijk iets spaak l...

Lees verder
1964
2022-11-27
voornamen

Voornamenboek

Toen

m -> Antonius (Limb., Venlo).

1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Toen

adv., doe; conj., doe’t.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Toen

I. bw. 1. op dat ogenblik, te dien tijde, destijds: hij ivas toen net gepromoveerd; jij was toen een jongen van nauwelijks achttien; wat toen zonde was, dat is het heden ten dage nog; — als bijw. bep. bij een attribuut: de toen gegeven beschouwing; — verbonden met het vz. van, zie ald.; 2. ter aandu...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

toen

1. bw.: hij kwam toen, op die tijd; van toen af; 2. vgw.: toen hij kwam, was het te laat, op het ogenblik, in de tijd, dat.

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

toen

[~ dien] 1. bw. op, in die tijd, dag enz. in het verleden: hij was hier. 2. vgw. in de verleden tijd, op het ogenblik dat: hij kwam, was het te laat. ➝ als, Opm.

Lees verder
1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Toen

Toen - bw. te dien tijde, op, in dien tijd of dag, in dat jaar, in die week of maand : de honing was toen buitenslands; —, voegw. in dien tijd dat: toen ik een kind was, handelde ik als een kind.

Lees verder
1898
2022-11-27
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Toen

zie Als.

1864
2022-11-27
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Toen

Toen, bijw. ten dien tijde, op -, in dien tijd of dag, in dat jaar, in die week of maand. *-, vw. wanneer.