Wat is de betekenis van toef?

2022
2022-11-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

toef

(2001) (euf.) vrouwelijk geslachtsdeel. • (Seksuele volkstaal en eufemismen op Wikipedia. 2009) • 'Toef, sleuf, zure hut,' vervolgde Olga. 'Kerf,mossel, kloof, schotwond,' vulde ik aan. (Jacqueline de Jong: Toegift: memoires van Corry Brokken. 2011) • ‘Pruim, trut, muts, krater, voeg, egel, poffertje, etui, grot, doos, stortg...

Lees verder
2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

toef

toef - Zelfstandignaamwoord 1. een bos(je), pluk(je), tuilt(je), een bosje van iets ze heeft een rare toef haar op haar hoofd een toefje peterselie 2. een (grote) klodder een toef slagroom op het roomijs...

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

toef

toef - zelfstandig naamwoord 1. een bosje van iets ♢ ze heeft een rare toef haar op haar hoofd 2. een grote klodder ♢ ze spoot een toef slagroom op het ijs Zelfstandig naamwoord: toef ...

Lees verder
1994
2022-11-27
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Toef

[Fr. touffe] bos, tuil, pluk; ook: kuif.

1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Toef

v./m. (-en), 1. bos, pluk, dot; kuif; 2. poolpluis van een tapijt, ook garenstuk, b.v. in de vorm van een I, U of W, van een knoop waarvan de vrije uiteinden de pool vormen.

Lees verder
1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Toef

I. m., g. mv., (VI.) 1. vriendelijke of vleiende bejegening, liefkozing: het beestje deed haar veel toef aan; 2. vriendelijk onthaal, hartelijke ontvangst; 3. tegemoetkoming: die jongen krijgt thuis veel te veel toef. II. m. (-en), 1. bos, pluk, dot: een toef haar; kuif: iem. bij zijn toef grijpen; 2. tuiltje, boeket...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

toef

v. toefen (Fr. touffe: dot, vink, bos).

1937
2022-11-27
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Toef

Tuil, ruiker, kuif, bundel. Een toefje rozen. Toefjesleeuwerik. De toef (krop, dichtgebonden einde) van een zak.

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

toef

v. (-en) [Fr.] bos, pluk : een haar.