Tinne
v. (-n), 1. ben. voor elk van de door open tussenruimten van elkaar gescheiden tandvormige gedeelten van de beschuttingsmuren welke de middeleeuwse wallen en torens bekronen; kanteel; 2. het hoogste gedeelte, top, bovenrand van een gebouw: toen nam de duivel Hem mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels (Matth. 4 : 5)...