Wat is de betekenis van ticket?

2022
2022-12-04
vindpunt

Vindpunt.nl

ticket

(zelfstandig naamwoord) [form.] vluchtbiljet - Met zulke goedkope vluchtbiljetten zal vliegschaamte geen hoge vlucht nemen. [alg.] (theater)kaartje, toegangsbewijs - Er zijn nog kaartjes voor het concert verkrijgbaar. [sport] kwalificatie, startbewijs, deelnamebewijs - Ze won een belangrijke kwalificatiewedstrijd. Daarmee verzekerde zich va...

Lees verder
2019
2022-12-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ticket

ticket - Zelfstandignaamwoord 1. een papiertje dat ergens recht op geeft, zoals toegang of deelname Synoniemen kaartje, toegangsbewijs, lootje, biljet, bon, coupon

Lees verder
2015
2022-12-04
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

ticket

kaartje Ma en jij hadden elk afzonderlijk een ticket gewonnen voor een concert in de opera in Brussel. (De brakke Hond, jrg. 11) In Nederland werd 'ticket' tot voor kort voornamelijk gebruikt voor een plaatsbewijs in een vliegtuig, maar ook daar wint het Engelse woord terrein op parkeerkaartje, toegangskaart(je), toegangsb...

Lees verder
2004
2022-12-04
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

ticket

(het, -s) in België ook: kaartje, biljet voor een film, theater, trein, wedstrijd enz. Met één ticket kan men die dag een keuze maken uit 40 concerten, in ruimtes als de Sint-Baafskathedraal, het Stadhuis en Bisschopshuis, of de Vlaamse Opera. - FET, 04-09-2002.

Lees verder
1994
2022-12-04
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Ticket

[Eng., van OFr. e(s)tiquet(te), van ONDu. stekan = steken] (oorspr.: erop gestoken kaartje; vgl. etiket) plaatskaartje, speciaal voor schip of vliegtuig.

1993
2022-12-04
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Ticket

toegangskaartje

1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Ticket

[Eng.], m./o. (-s), kaartje, toegangsbewijs; plaatsbewijs voor openbaar vervoer.

1955
2022-12-04
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Ticket

o., toegangskaartje

1952
2022-12-04
Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Ticket

biljet, kaartje: perronkaartje; toegangsbewijs; bon [v. distributie].

1951
2022-12-04
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

ticket

I. biljet, kaart(je), plaatsbewijs, toegangsbewijs; (prijs)etiket; lommerdbriefje; loterijbriefje, lot; Am candidatenlijst [bij verkiezing]; the democratic tick, het democratisch partijbeginsel [als verkiezingsleus]; that’s the tick, dat is je ware; II. van een etiketje of kaartje voorzien.

Lees verder
1950
2022-12-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ticket

(Eng.), o. (-s), kaartje, toegangsbewijs.

1948
2022-12-04
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

ticket

(Eng.) o. (toegangs)kaartje, loterij-, stembriefje. tida(k) lakoe, (B.I.) niet gewild, niet geldig. ticket-day, (Eng.) m. vóórlaatste dag vóór rescont r e, z. d. w.

Lees verder
1937
2022-12-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ticket

o. tickets (Eng. spoor-, entreekaartje).

1930
2022-12-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ticket

o. (-s) [Eng.] kaartje, toegangsbewijs.

1914
2022-12-04
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

ticket

ticket - o., toegangskaartje; lootje ; stembriefje.

1910
2022-12-04
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Ticket

Ticket - (Eng.) spoorkaartje, entree- of stembiljet. — lijst van te ontvangen en te leveren fondsen, die de makelaars aan de Londensche beurs elkander een dag voor de halfmaandelijksche rescontre overgeven.

Lees verder
1908
2022-12-04
Vivat

Schrijver op Ensie

Ticket

(eng.) stembriefje; plaatsbiljet, toegangskaart.

1908
2022-12-04
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Ticket

(toegangs)bewijs, kaartje.

1906
2022-12-04
wink

Wink's vreemde woordenboek

Ticket

o. Eng., spoorkaartje; intreebiljet; stembilj.

1898
2022-12-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ticket

Ticket - (Eng.), o. (-s), kaartje, toegangsbewijs.