Wat is de betekenis van term?

2019
2021-10-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

term

term - Zelfstandignaamwoord 1. een woord of uitdrukking met een bepaalde betekenis Je moet zorgen dat je de technische termen in je tekst verklaart.

Lees verder
2018
2021-10-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

term

term - zelfstandig naamwoord 1. het woord voor iets ♢ 'roteren' is een technische term 1. ik heb het in bedekte termen gezegd [niet openlijk] Zelfstandig naamwoord: term ...

Lees verder
1994
2021-10-17
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Term

[Fr. terme, van Lat. terminus = grens, doel; vgl. Gr. termoon = grens] 1 binnen bep. grenzen besloten tijd, tijdperk; (Z.N.) duur van een dienstverband, spec. van militaire dienstplicht; 2 (wisk.) elk der grootheden die opgeteld moeten worden om een som te verkrijgen; bijv.:...

Lees verder
1994
2021-10-17
Grondbeginselen der sociologie

Begrippenlijst Grondbeginselen der sociologie

Term

Een term is een arbitrair gekozen woord ter aanduiding van een begrip.

1992
2021-10-17
Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Term

Soms een woord of uitdrukking (‘definieer uw termen!’), soms ook objecten, dingen of personen, zoals in ‘de termen van een relatie’ (in ‘Jan bemint Joke’ zijn de personen Jan en Joke de termen van de relatie bemint).

1985
2021-10-17
Woordenboek automatisering

Henk Biemond - 1985

Term

Term Het kleinste gedeelte van een uitdrukking, waaraan een waarde kan worden toegekend.

1973
2021-10-17
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

term

[→Fr.], m. (-en), 1. (wiskunde) elk van de grootheden waarvan de verhouding in een verhoudingsvorm is uitgedrukt (e); 2. elk van de stellingen van een syllogisme; 3. woord, uitdrukking, die in een bepaald vakgebied gebruikt wordt en gebruikelijk is: technische, medische termen; onder bedekte termen iets meedelen, het zonder precisering aandu...

Lees verder
1955
2021-10-17
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Term

woord, uitdrukking (op bepaald gebied); in syllogisme: elk der stellingen; in wiskunde: grootheid in een verhoudingsvorm; mv.: aanleiding, beweegreden.

1952
2021-10-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Term

s., term.

1950
2021-10-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Term

(<Fr.), m. (-en), 1. binnen zekere grenzen besloten tijd, tijdperk : de U gestelde term is verstreken; 2. (Zuidn.) tijd dat een dienstverband duurt: de term van die soldaat is haast uit; 3. (wisk.) elk der grootheden welker verhouding in een verhoudingsvorm is uitgedrukt: in de evenredigheid a : b = p : q noemt men a b p q de te...

Lees verder
1949
2021-10-17
Vreemde woorden in de Natuurkunde

Prof. Dr. P.H. van Laer

Term

(Lat. térmo of términus = Gr. térma = grenspaal, doel, einde). In atoomtheorie: bepaalde energietrap.

1948
2021-10-17
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

term

m. bewoording, uitdrukking; ~en, mv. bewoordingen, eigen uitdrukkingen v. e. vak; beweegredenen, gronden, aanleiding; deel v. e. reeks (wisk.).

1939
2021-10-17
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Term

(< Lat. terminus = grenspaal; vd. het bepalende, dus ook het woord, de naam). Als vertaling van het Gr. dat met zijn Lat. aequivalent nomen ook gebruikt werd in den zin van element van een door optellen of aftrekken gevormde uitdrukking, kreeg terminus in de 17e eeuw ook de betekenis van wat wij nu nog term van een algebraïsche uitdrukking...

Lees verder
1933
2021-10-17
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Term

1) deel eener meetk. reden of reeks; 2) woord of uitdrukking, gebruikelijk i/e speciaal vak, tak v. wetenschap, kunst, enz.

Lees verder
1926
2021-10-17
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Term

Dit woord wordt op verschillend terrein gebezigd. Op het terrein der logica beteekent het stelling of begrip. In het bijzonder geeft men den naam term aan de drie begrippen, die tezamen een syllogisme vormen. Op het gebied van de rekenkunde noemt men term in het algemeen een samenstellenden vorm. Men onderscheidt ééntermen en veelter...

Lees verder
1910
2021-10-17
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Term

Term - uitdrukking, ook: getal, dat deel uitmaakt van een som, een evenredigheid, een reeks enz.

1898
2021-10-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Term

Het begrip term heeft 2 verschillende betekenissen: 1. term - term - m. (-en), woord, uitdrukking (inz. in eenig vak van kunst of wetenschap gebezigd): technische termen; — onder bedekte termen iets meededen, het niet ronduit vertellen; — in algemeene termen spreken, met algemeene woorden, uitdrukkingen die de begrippen niet scherp om...

Lees verder
1864
2021-10-17
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

term

term - m. (termen), woord, bewoording, uitdrukking (inz. in eenig vak van kunst of wetenschap gebezigd); korte volzin; zeker tijdsverloop; grensscheiding; (rek.) cijfer eener reeks; stelling (eener sluitrede); beweegreden; aanspraak, recht; hij valt niet in de termen, hij behoort niet tot dezulken die..., hij is niet begrepen onder..