Wat is de betekenis van teren?

2022
2023-01-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

teren

(2018) (inf.) ophoepelen, weggaan. • ‘Hé Kale, komen je kinderen je eindelijk eens bezoeken? Zou tijd worden ook.’ ‘Teert naar je eiland, Klamme,’ zei de man. (Ru de Groen: Een dagje in de stad. 2018)

Lees verder
2019
2023-01-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

teren

teren - Werkwoord 1. (ov) met teer besmeren De schipper heeft de sloep geteerd. 2. in zijn levensonderhoud voorzien Uitdrukkingen en gezegden ♦ Op zijn vet teren leven van gespaard geld

Lees verder
2018
2023-01-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

teren

teren - regelmatig werkwoord uitspraak: te-ren 1. er zwarte, kleverige verf op smeren ♢ de boer heeft de boot geteerd 2. gebruiken om van te leven ♢ op een boterham kan ik niet teren! ...

Lees verder
2004
2023-01-30
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

teren

(teerde, geteerd) goed eten en drinken, feestvieren - teren en smeren, brassen. Diksmuide ligt in het hartje van het Boterland, een betere aanduiding dat het er prima teren en smeren is, kan je zelf eigenlijk niet verzinnen. - GvA, 12-01-2002.

Lees verder
1997
2023-01-30
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

teren

God zal je teren! is een verwensing die eenmaal werd aangetroffen. Het hulpwerkwoord zullen heeft vanouds de betekenis ‘moeten’. Dat plaatst ons niet voor verrassingen. Die verrassing zit in het werkwoord teren, dat ik niet opvat als ‘met teer bestrijken’, maar als ‘met de tering slaan, treffen&rsq...

Lees verder
1973
2023-01-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Teren

I.(teerde, heeft geteerd), 1. in zijn levensonderhoud voorzien, leven; m.n. wat betreft het gebruik van voedsel: op kosten van anderen teren, op zijn vet teren; 2. (gew.) goede sier maken, overdadig leven: teren en smeren. II.(teerde, heeft geteerd), met teer bestrijken: een schutting teren.

Lees verder
1952
2023-01-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Teren

v.; (met teer bestrijken), tarje.

1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Teren

I. TEREN (teerde, heeft geteerd), 1. (overg.) doen verdwijnen, te niet doen ; zie bij Terend; 2. (overg.) (van voedsel) verwerken, verteren, digereren; in Z.Ned.: mijn maag kan dat niet teren; — (abs.) mijn maag teert niet; 3. (onoverg.) in zijn levensonderhoud voorzien, leven ; inz. wat betreft het gebruik van voedsel...

Lees verder
1937
2023-01-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

teren

I. teerde, h. geteerd (met teer bestrijken): een schutting een boot teren. II. teerde, h. geteerd (verteren): en smeren, smullend opmaken; achteruit teren.

Lees verder
1930
2023-01-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

teren

(teerde, heeft geteerd) I. met teer bestrijken: een boot -. II. 1. Veroud. verteren: mijn maag kan dat niet -. ➝ boom. 2. goed eten en drinken: - en smeren, smullend opmaken. 3. leven: op kosten van anderen -. ➝ bodem. 4. mager worden, kwijnen: een -de zieke.

Lees verder
1911
2023-01-30
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Teren

(verteren) van den Germ. wt. ter = stukscheuren, vernietigen.

1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Teren

Het begrip teren heeft 2 verschillende betekenissen: 1. teren - teren - (teerde, heeft geteerd), met teer bestrijken : eene schutting teren. TERING, v. 2. teren - teren - (teerde, heeft geteerd), goed eten en drinken: van den hoogen boom teren, op zorgelooze wijze groote verteringen maken, zijn kapitaal opeten; op kosten van anderen teren, leven;...

Lees verder
1864
2023-01-30
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Teren

Teren, (B. TEEREN), bw. gel. (ik teerde, heb geteerd), met teer bestrijken. *-, bw. ow. goede sier maken, goed eten en drinken, slempen; verteren (spijzen); verteringen maken wier bedrag dat der inkomsten overtreft; (fig.) op zijn smeer -, leven van hetgeen men overlegd of gespaard heeft. *-, ow. mager worden, kwijnen. *-D, bn. kwijnend.

Lees verder