Wat is de betekenis van Tempel?

2022
2023-02-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

tempel

(1984) (euf.) vrouwelijk geslachtsdeel. Syn.: heiligdom; yoni*. • De Taart hief haar billen even omhoog, om de dikke zilveren stroom die uit haar volle lippen weggleed onder zich in de handdoek op te vangen. Toen spreidde ze haar vingers rond haar tempel. (Jan Cremer: De Hunnen. 1984) • Ik moest wel toegeven dat Helene wel een prachtig l...

Lees verder
2019
2023-02-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tempel

tempel - Zelfstandignaamwoord 1. (religie) een gebouw voor godsverering Heb je de tempel al gezien die ze hier in de buurt aan het bouwen zijn? tempel - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tempelen ♢ Ik tempel 2....

Lees verder
2018
2023-02-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tempel

tempel - zelfstandig naamwoord uitspraak: tem-pel 1. gebouw waarin een god wordt vereerd ♢ in de tempel hebben we gebeden Zelfstandig naamwoord: tem-pel de tempel de tempels ...

Lees verder
2004
2023-02-07
lesmethode Memo

Geschiedenisles voor bovenbouw

Tempel

Een gebouw waar een of meer goden worden vereerd.

2000
2023-02-07
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Tempel

Tempel des Heren, heiligdom, kerk. Al in de bijbel wordt tempel des Heren gebruikt voor een heiligdom, zie bijvoorbeeld 1 Samuël 3:3, ‘Samuël had zich te ruste begeven in de tempel des HEREN waar de ark Gods was’ (NBG-vertaling). De NBV spreekt gewoonlijk van ‘de tempel van de Heer’, of, zoals in 1 Samuël 3:3, ‘het heiligdom van de HEER’. In christ...

Lees verder
1997
2023-02-07
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

tempel

In het Vroegmiddelnederlands wordt al gezworen bi den temple ‘bij de tempel van leruzalem’. Men zie daarvoor bijv. het Luikse Diatessaron [1291-1300] en de WestVlaamse Rijmbijbel [1285] van Jacob van Maerlant. Op de verkeerde plaats en te vaak zweren bij het huis van God maakt de eedformule tot vloek en uitroep. San...

Lees verder
1994
2023-02-07
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Tempel

Tempel, Jan van den, Nederlands politicus, *1.8.1877 Willemstad, +2.7.1955 Amsterdam. Van den Tempel was huisschilder in Amsterdam; in 1900 werd hij voorzitter van het stakingscomité van de Schildersgezellenbond. Van 1906-1918 was hij secretaris van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (nvv). Van 1910-1919 en van 1927-1931 was hij voor de Soc...

Lees verder
1993
2023-02-07
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Tempel

gebouw voor godsdienstige of rituele plechtigheden; balk om een sluisdeur vast te zetten

1992
2023-02-07
Symbolen

Hans Biedermann

tempel

niet alleen een gewijd gebouw voor riten en eredienst, maar ook symbool voor een ‘heiligdom’, voor alles wat een hoger geestelijk streven behelst. In de christelijke symboliek wordt zowel Christus als de mens als ‘tempel Gods’ opgevat; het lichaam is een tempel van de Heilige Geest.

Lees verder
1990
2023-02-07
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

tempel

tempel - Wordt gebruikt voor religieuze gebouwen die zijn gewijd aan het dienen van een godheid of godheden, vaak met een cultusafbeelding; wordt niet gebruikt voor christelijke en islamitische religieuze gebouwen, gebruik daar 'kerken' of 'moskeeën'. Kan ook worden gebruikt voor protestantse vereringsplaatsen in Frankrijk...

Lees verder
1981
2023-02-07
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

tempel

geheiligde ruimte, bestemd als woonplaats van de godheid. Alleen de priester mocht er binnentreden, dit in tegenstelling tot het oudchristelijke kerkgebouw, dat behalve woonplaats van de Heer ook verzamelplaats van de gelovigen is. Bekend zijn de tempels uit de Egyptische, Griekse en Romeinse Oudheid en van de oudindiaanse volken in Amerika. Het jo...

Lees verder
1980
2023-02-07
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

tempel

zie tabernakel

1973
2023-02-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Tempel

[Lat. templum, afgebakende ruimte], m. (-s), 1. gebouw aan de uitoefening van een godsdienst gewijd; (in verheven taal) kerkgebouw der christenen; 2. (fig.) zaak of plaats aan de dienst van iets gewijd: een tempel van wetenschap; (zegsw.) onderhoud uw draag zorg voor uw lichaam; iemand op zijn tempel zitten, hem achter de vodden zitten of afransel...

Lees verder
1962
2023-02-07
Archeologische Encyclopedie

Alles over Archeologie

Tempel

De oudste tot nu toe in Mesop. gevonden tempel werd bij de Irakese opgravingen in Eridu gevonden; het is de tempel van laag XVI, ong. 4 x 4 m; de t. bestaat slechts uit 1 vertrek, de deur ligt in de Z.O. gevel, een beetje buiten het midden; de cella* bestaat uit een centrisch gelegen erker met postament, in het midden v.h. vertrek vond men e...

Lees verder
1961
2023-02-07
Mythologische Encyclopedie

Geschreven door Dr. A. van Anken

TEMPEL

(Lat. templum = afgebakend gebied; Gr. temenos), de Griekse en Romeinse tempel was uitsluitend het huis waarin het godenbeeld stond opgesteld, en niet een verzamelplaats voor de massa der gelovigen. Men offerde op het altaar dat buiten, voor de tempel stond. De Griekse tempel was een rijk gebeeldhouwde schrijn van het godenbeeld. Het bouwwerk had g...

Lees verder
1959
2023-02-07
Kunstgeschiedenis

Uitgave 1959 Amsterdam Boek

Tempel

Plaats waar een godheid wordt vereerd, oorspronkelijk meestal bos of grot, later een bouwwerk.

1955
2023-02-07
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

TEMPEL

(van Gr.: tenmo, afsnijden) noemt men een gebouw, dat in zijn functie herinnert aan de van nature heilige plaats. Het templum is oorspronkelijk het afgebakende stuk van de hemel, waar de goddelijke macht gebeden wordt zich te openbaren. De tempelbouw was een heilige kunst, onpersoonlijk en gebonden aan hiëratische voorbeelden. De Semietische t...

Lees verder
1952
2023-02-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tempel

s., timpel.

1951
2023-02-07
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Tempel

tempel; hinkebaan (spel); einen zum Tempel hinausjagen, iem. de deur uitjagen.

1950
2023-02-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Tempel

I.TEMPEL (<Lat.), m. (-s, -en), 1. gebouw aan de uitoefening van do of een godsdienst gewijd : tempels oprichten ; de tempel van Jupiter, van Janus, die aan Jupiter, aan Janus gewijd is ; de tempel van Salomo, door Salomo opgericht; — (in verheven taal) kerkgebouw der Christenen : ik buig, o God, me in Uw tempel neer...

Lees verder