Wat is de betekenis van tellen?

2019
2021-01-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tellen

tellen - Werkwoord 1. (ov) aantal bepalen Ik tel hoeveel geld ik nog heb. Ik tel vijf koeien in de wei. 2. (inerg) getallen oplopend opnoemen Ik tel langzaam tot 10. 3. (inerg) van belang zijn ...

Lees verder
2018
2021-01-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tellen

tellen - regelmatig werkwoord uitspraak: tel-len 1. opeenvolgende getallen opsommen ♢ ze telde tot honderd 1. kijken alsof je niet tot tien kunt tellen [heel onnozel kijken] ...

Lees verder
2017
2021-01-27
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

tellen

Tellen is het benoemen van de plaats van getallen op de telrij.

1998
2021-01-27
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

tellen

Het aantal opmaken. Zowel in het af- als tegenspel is ‘tellen’ van belang. Bij het maken van een speelplan telt de leider zijn vaste slagen en vaste verliezers. Tijdens het spelen tellen de leider en de tegenspelers de slagen die ze gemaakt en verloren hebben en de slagen die ze nog denken te maken of te verliezen. Verder proberen de spelers bij te...

Lees verder
1990
2021-01-27
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

tellen

tellen - Het opsommen van de afzonderlijke eenheden die samen een groep vormen om het totale aantal eenheden waaruit die groep bestaat, te kunnen vaststellen.

1973
2021-01-27
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

tellen

(telde, heeft geteld), 1. een reeks van getallen of hoeveelheden in de natuurlijke volgorde opnoemen, al of niet beginnend bij één: op zijn vingers —; daar staat hij alsof hij geen tien kan —, hij staat onnozel enz. te kijken; op zijn tellen passen, goed oppassen dat men zich niet vergist, acht geven op wat men zegt of doe...

Lees verder
1950
2021-01-27
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tellen

I. TELLEN (telde, heeft geteld), 1. (onoverg.) een reeks van getallen of hoeveelheden in de natuurlijke volgorde opnoemen, al of niet beginnende bij één: tot tien, tot twintig leren tellen; van deze bladzijde af geteld moeten wij er nog dertig behandelen ; op zijn vingers tellen, terwijl men de hoeveelheden door vingers voors...

Lees verder
1898
2021-01-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tellen

Tellen - (telde, heeft geteld), de eenheid en de hoeveelheden in hare natuurlijke volgorde opnoemen : tot tien, tot twintig leer en tellen; (fig.) daar staat hij alsof hij geen drie, geen tien kan tellen, alsof hij te dom is om te kunnen spreken; — op zijne vingers tellen, terwijl men de hoeveelheden door vingers voorstelt; (fig.) dat kan men...

Lees verder