Wat is de betekenis van tegelijk?

2019
2021-01-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tegelijk

tegelijk - Bijwoord 1. op hetzelfde moment Zij draaiden zich allebei plotseling om en liepen tegelijk naar de ijskraam terug. 2. in dezelfde periode Volgens mij hebben zij tegelijk gestudeerd. 3. tevens. Zij is arts...

Lees verder
2018
2021-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tegelijk

tegelijk - bijwoord uitspraak: te-ge-lijk 1. op hetzelfde moment ♢ we kwamen tegelijk aan 2. zowel het een als het ander ♢ deze knop is tegelijk voor aan en uit Bijwoord: te-ge-...

Lees verder
1973
2021-01-24
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

tegelijk

bw., 1. op hetzelfde ogenblik; men kan niet op twee plaatsen — zijn; 2. in dezelfde periode; zij hebben — gestudeerd; tevens: hij is dokter en apotheker.

Lees verder
1950
2021-01-24
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tegelijk

bw., 1. op hetzelfde ogenblik: men kan geen twee dingen tegelijk doen; niet allemaal tegelijk; laat slechts één persoon tegelijk binnen. 2. in dezelfde periode: zij hebben tegelijk gestudeerd. 3. samen met iem. of iets anders: als de timmerman toch komt, kan je tegelijk die kast laten repareren. 4. tevens: hij is...

Lees verder
1898
2021-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tegelijk

TEGELIJKERTIJD, bw. in denzelfden tijd.