Wat is de betekenis van team?

2022
2022-08-14
vindpunt

Vindpunt.nl

team

(zelfstandig naamwoord) [alg.] ploeg, groep, eenheid; koppel, span - De hele ploeg was weer in topvorm. - Twee genieën? Ik vind het maar een dom koppel! [sport] ploeg, elftal, -tal - Het aantal ploegspelers hangt van de sport af: voetbal en hockey hebben elftallen, volleybal zestallen en waterpolo zeventallen.

Lees verder
2021
2022-08-14
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Team

Een team is een groep personen die door middel van samenwerking probeert om hetzelfde doel te bereiken. Het woord is voornamelijk bekend in de sportwereld, waarbij het team tot doel heeft om zoveel mogelijk te scoren en daarmee winst te behalen. Hierbij is samenwerken noodzakelijk. In het onderwijs en in andere vakgebieden wordt ook gesproken van t...

Lees verder
2021
2022-08-14
Blockchain

Blockchain woordenboek

Team

team is de verkorte benaming van development team, een groep van softwareontwikkelaars van een crypto network. Andere verkorte benamingen: dev team of devs.

Lees verder
2019
2022-08-14
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

team

team - Zelfstandignaamwoord 1. (sport) een ploeg van bij elkaar horende spelers In welk team zit jij? Ik zit in de C2. 2. een groep samenwerkende mensen Op ons werk vormen wij een echt team. Woordherkomst Leenwoord van het Engelse team....

Lees verder
2018
2022-08-14
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

team

team - zelfstandig naamwoord uitspraak: tiem 1. groep werkers of sporters ♢ we hebben een geweldig team bij deze club Zelfstandig naamwoord: tiem het team de teams het te...

Lees verder
2010
2022-08-14
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

team

team: wielerploeg; er bestaan Pro Tour Teams, Professional Continental Teams en Continental Teams.

2009
2022-08-14
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

team

(het; -s) SP - groep van 4,6 of meer spelers die bij elkaar horen en bv. een club, provincie of land vertegenwoordigen (en een wedstrijd tegen een team van een andere club, provincie of ander land spelen); een nationaal, olympisch team - Team tegen team is vrijwel altijd een matchplaywedstrijd. De bekende tweejaarlijkse Ryder Cup waarin Europa tege...

Lees verder
2009
2022-08-14
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

team

→ ploeg

1998
2022-08-14
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

team

Ploeg; als eenheid opererende groep spelers. Een team bestaat uit ten minste vier spelers (een ‘team’ van twee spelers wordt als ‘paar’ aangeduid). Bij langdurige competities of toernooien wordt het team vaak uitgebreid tot zes spelers zodat in elke ronde een van de drie paren rust kan nemen.

1993
2022-08-14
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Team

sportploeg; groep samenwerkende mensen

1990
2022-08-14
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

team

team - Groepen van twee of meer mensen of dieren die samenwerken als eenheid aan een gezamenlijke taak, bijvoorbeeld een sport, een spel, project of taak.

1981
2022-08-14
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

team

[Eng. tiem], een ploeg mensen die voor een bepaald doel samenwerken, b.v. bij het spel (voetbalteam) of bij wetenschappelijke arbeid („teamwork”).

1973
2022-08-14
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Team

[Eng.], o. (-s), 1. ploeg bij elkaar behorende spelers, zoals een voetbalelftal; 2. groep samenwerkers: het medisch team dat de operatie verrichtte.

Lees verder
1965
2022-08-14
Lexicon van de Psychologie

N.Sillamy

TEAM

De moderne pedagogiek moedigt de vorming van groepen aan. waarin een paar kinderen samenwerken om een door hen zelf gekozen project te verwezenlijken. In Frankrijk paste Cousinet deze methode gedurende twintig jaar toe op een duizendtal scholieren.

1964
2022-08-14
voornamen

Voornamenboek

Team

v -> Dimme (Fri.).

1955
2022-08-14
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Team

o., (sport) groep spelers, elftal, ook groep van wetenschappelijke onderzoekers die „teamwork” verrichten

1951
2022-08-14
Engels

Woordenboek Engels (1951)

team

1. span [paarden]; 2. ploeg [werklui, spelers], elftal [voetballers]; groep.

Lees verder
1950
2022-08-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Team

(Eng.), o. (-s), 1. (sport) ploeg bij elkaar behorende spelers, b.v. 11 voetbalspelers. 2. bij uitbr. ook gebruikt waar niet van sport sprake is, b.v. in toepassing op een groep van wetenschappelijke onderzoekers.

Lees verder
1948
2022-08-14
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

team

(tiem) (Eng.) o. sp. ploeg, groep spelers, elftal; ~spirit. geest v. samenwerking.

Lees verder
1937
2022-08-14
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

team

o. teams (Eng. sport: ploeg, groep; stel rijders of spelers, meestal elf [voetbalspel]; in het cricketspel een groep van dertien).