Talen
(taalde, heeft getaald), 1. (veroud.) spreken, praten ; — uitspreken, zeggen; 2. (veroud.) talen om, het woord doen om iets te verkrijgen, er om vragen; (Zuidn.) vragen en talen, 3. in verbinding met naar: a. (Zuidn.) navraag doen, informeren naar: hoe zou het afgelopen zijn? gij moest er eens naar talen...