Wat is de betekenis van taille?

2019
2021-03-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

taille

taille - Zelfstandignaamwoord 1. het middelste deel van het lichaam De broek zit wat strak rond de taille. Synoniemen middel

Lees verder
2018
2021-03-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

taille

taille - zelfstandig naamwoord uitspraak: -je 1. smalste deel van je romp ♢ mijn taille is 80 centimeter Zelfstandig naamwoord: -je de taille de tailles ...

Lees verder
2017
2021-03-01
Gert Crum

Champagne compleet

Taille

de tweede persing die 500 liter wijn mag opleveren. De cuvée is de eerste persing, goed voor 2050 liter van 4000 kilo druiven. Bij elkaar mag er dus 2550 liter champagne worden gewonnen uit 4000 kilo druiven. De taille is van mindere kwaliteit dan de cuvée. Er zijn huizen die geen of bijna geen wijnen van de taille verwerken. De taille wordt dan ge...

Lees verder
1993
2021-03-01
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Taille

middel; snit van een kleed (vero ); belasting (gesch.); het afnemen van kaarten (kaartsp.)

1973
2021-03-01
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

taille

[Fr. <Lat. talea, afgesneden twijg], v./m. (-s), 1. middelste deel van het lichaam: een smalle hebben; deel van een kledingstuk dat het middel omgeeft: die jas is te nauw in de -. 2. (hist.) een directe belasting in Frankrijk tot de Revolutie geheven (e); 3. (muziek) uitsparing ongeveer in het midden van de klankkast van strijkinstrumenten, be...

Lees verder
1950
2021-03-01
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Taille

(Fr.), v. (-s), 1. snit van een kleed ; 2. maat van kledingstukken, in het groot gemaakt, bij onderlinge vergelijking : van de veld jassen waren drie tailles in voorraad ; 3. gestalte met betr. tot de afmetingen, leest : paarden van kleine taille ; 4. middel van het lichaam : een dunne, fraaie, welgevormde taille hebben ; de wijdte van de taille;...

Lees verder
1949
2021-03-01
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

taille

geselpaal.

1949
2021-03-01
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Taille

in Frankrijk van 15e eeuw af een directe belasting op het inkomen of vermogen, waarvan adel en geestelijkheid waren vrijgesteld.

1948
2021-03-01
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

taille

v. 1 lichaamsgestalte, vorm v. h. bovenlijf; 2 snede ; het afnemen of keren v. d. kaarten (inz. in t farospel), gezamenlijke kaarten, die afgenomen worden; 3 (Kr.) tenor; ~ douce, koperen of stalen plaat, koperof staalgravure.

1933
2021-03-01
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Taille

Oude Fransche term voor tenor; basse t. = 2e tenor; ook voor tenor-viola en oboe de caccia.

1923
2021-03-01
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Taille

(Fr.), 1. snede, vooral gebezigd voor steensnede; 2. gestalte, leest. T. de guêpe (P. Marie), wespentaille; verdunning van het onderste deel van de romp, een verschijnsel van dystrophia musculorum progressiva, veroorzaakt door atrophie der buikspieren.

Lees verder
1916
2021-03-01
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Taille

Taille - (Fr.), in de muziektaal z. v. a. Tenor ; Basse-T., de vaak voorkomende Fransche benaming voor Bariton, beteekent dus „lage Tenor”. T. beteekent ook een strijkinstrument in Tenor-omvang.

1914
2021-03-01
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

taille

taille - v., lichaamsgestalte, vorm van ’t bovenlijf; snede; het afnemen of keeren van de kaarten, enz. (in ’t farospel); gezamenlijke kaarten, die afgenomen worden.

1898
2021-03-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Taille

Taille - (Fr.) v. (-s), snit van een kleed; japon : in taille loopen, zonder mantel; — lichaamsgestalte, vorm van het bovenlijf; inz. bij het middel: eene dunne, fraaie, welgevormde taille hebben; de wijdte der taille, — (kaartsp.) het afnemen en keeren der kaarten; — (muntw.) de verdeeling van een stuk goud of zilver in een bepa...

Lees verder
1864
2021-03-01
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

taille

taille - v. lichaamsgestalte, vorm van het bovenlijf; snede