Wat is de betekenis van Tafelen?

2019
2023-01-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tafelen

tafelen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tafel tafelen - Werkwoord 1. (inerg) aan tafel zitten om te eten. Woordherkomst Afgeleid van tafel met het achtervoegsel -en Synoniemen lijsten, tabellen, tafels

Lees verder
2009
2023-01-29
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

tafelen

Een afwachtende houding aannemen.

1985
2023-01-29
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

TAFELEN

volksgericht; zie aldaar.

1973
2023-01-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Tafelen

(tafelde, heeft getafeld), aan tafel zitten om te eten, maaltijd houden.

1952
2023-01-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tafelen

v., tafelje.

1950
2023-01-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Tafelen

I. (tafelde, heeft getafeld), aan tafel zitten om te eten, maaltijd houden: hij tafelt lang, hij tafelt goed, hij eet er goed van. II. (tafelde, heeft getafeld), (gew.) ketelmuziek maken, in ’t bijzonder als een voorgenomen huwelijk op het laatste ogenblik door de schuld van een der partijen afspringt.

Lees verder
1937
2023-01-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

tafelen

tafelde, h. getafeld (lang aan tafel zitten om te eten, dineren): lang tafelen; hij tafelt goed.

1933
2023-01-29
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Tafelen

(folklore) komt in Noord-Brabant nog wel een enkele maal voor op sommige dorpen, als een echtpaar den huiselijken vrede verbreekt. De strafoefening door de buren geschiedt door het blazen op lampenglazen en het maken van lawaai om de woning; ook wordt het huis wel met steenen gebombardeerd of met palen gerammeid en worden er allerlei karren versjou...

Lees verder
1930
2023-01-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

tafelen

('ta;fələn) (tafelde, heeft getafeld) aan tafel zitten, dineren : lang, goed -.

1898
2023-01-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tafelen

Tafelen - (tafelde, heeft getafeld), aan tafel zitten, maaltijd houden: hij tafelt lang, hij tafelt goed, hij eet er goed van.