Wat is de betekenis van tabbaard?

2020
2021-06-13
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

tabbaard

Het begrip tabbaard heeft 3 verschillende betekenissen: 1) toga. wijd, in de regel tot op de voeten neerhangend bovenkleed met wijde mouwen, dat vroeger vooral gedragen werd door mannen van stand, magistraatspersonen, geleerden, geestelijken enz., in de uitoefening van hun beroep of bij bijzondere gelegenheden, dus veelal als ambtsgewaad. ...

Lees verder
1993
2021-06-13
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Tabbaard

(tabberd) toga; ambtsgewaad

1952
2021-06-13
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tabbaard

s., tabbert.

1949
2021-06-13
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Tabbaard

lang overkleed voor mannen, in de 16e en 17e eeuw gedragen door voorname personen. Was steeds van stemmige stof, niet zelden met bont gevoerd en gezoomd.

1948
2021-06-13
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

tabbaard

tabberd, m. mantel; lang staatsiekleed, inz. van rechters en pleitbezorgers; Z.A. Japon.

Lees verder
1937
2021-06-13
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Tabbaard

Tabbert. Mansbovenkleed met wijde mouwen, dat tot aan de voeten hing en door overheidspersonen, geleerden, en personen van hoogen rang als ambtsgewaad of statiekleed gedragen werd. Een voortzetting van die dracht vindt men tegenwoordig in de toga der professoren, predikanten, rechters en advocaten. Eertijds waren de hoogleeraren verplicht, hun coll...

Lees verder
1933
2021-06-13
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Tabbaard

Lang overkleed voor mannen, dat zich ontwikkelde uit de middeleeuwsche → houppelande. De t. werd in 16e en 17e eeuw gedragen, speciaal door predikanten, bejaarde heeren en rechtsgeleerden, daarnaast meer algemeen ook als kamerjas. Het stuk kon met bont gevoerd zijn en kenmerkte zich door lange, van den schouder afhangende mouwen, met eenige op...

Lees verder
1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tabbaard

Tabbaard - TABBERD, m. (-s -en), kleedingstuk, lang staatsiegewaad, toga, inz. der rechters; vandaar (fig.) lieden van den tabbaard, de rechters; — (fig.) iem. op zijn tabberd komen, zitten, hem duchtig afrossen.

Lees verder