Wat is de betekenis van Subiet?

2020
2021-12-07
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

subiet

meteen; direct. meteen; direct; onmiddellijk; terstond; ogenblikkelijk. Voorbeelden: Als ge opstaat en ge ziet mij niet subiet – ik zit daar. Arne Sierens, Sierens & Co, 2000 Als gevorderde scholier lazen we de verzen van de Ouden [...]. Zij bezongen meer dan eens de verrukkingen van de knapenliefde [...]. Ik kan me...

Lees verder
1993
2021-12-07
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Subiet

onmiddellijk; plotseling

1973
2021-12-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

subiet

[<Fr.], bn. en bw., plotseling, onverwacht: een subiete dood; direct: ik kom —.

1955
2021-12-07
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Subiet

plotseling; onverwijld

1950
2021-12-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Subiet

(<Fr.), I. bn. (in N.-Ned. veroud.), plotseling, onverwacht: een subiete dood; II. bw., 1. (in N.-Ned. w. g.) eensklaps, plotseling, onverwacht: waarom loopt gij zo subiet weg?; 2. dadelijk, onmiddellijk, direkt: dat krijg je maar niet zo subiet.

Lees verder
1937
2021-12-07
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

subiet

Fr. subit, Lat. subitus. 1. bn. (plotseling, onverwacht); 2. bw. (Z.-N. eensklaps, plotseling; Z.-N. en N.-N. dadelijk, onmiddellijk).

Lees verder
1898
2021-12-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Subiet

Subiet - bn. bw. plotseling: dadelijk: ik kom subiet.

1864
2021-12-07
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

subiet

subiet - bn. en bijw. plotseling