Wat is de betekenis van Stront?

2020
2021-12-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

stront

1) (19e eeuw) (inf.) ruzie, herrie, heibel. 'Dat draait uit op stront'. 'Stront krijgen (maken, veroorzaken).' Vgl. bonje*; deining*; dikke* shit; fittie*; gedonder*; gedondersteen*; geklootviool*; gesteggel*; heibel*; heilie*; hommeles*; jeile*; kermis*; krupsie*; landing*; matschudding*; mikmak*; mot*; roeges*; sporreling*. • Zoek je stront,...

Lees verder
2019
2021-12-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stront

stront - Zelfstandignaamwoord 1. uitgescheiden afvalstoffen van mens of dier Omdat hij nog stront aan z'n schoenen had, stonk het vreselijk in de kamer. Uitdrukkingen en gezegden Stront aan de knikker Synonie...

Lees verder
2018
2021-12-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stront

stront - zelfstandig naamwoord 1. toestand van kwaad zijn op elkaar ♢ hij heeft weer stront met zijn vrienden 2. onverteerd voedsel dat via je anus naar buiten komt ♢ ik trapte met mijn wandelschoenen in de s...

Lees verder
2017
2021-12-06
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Stront

Stront - 'stront voor de ogen rijden': iemand aan het wiel doen afzien. Fr. faire déregueuler sa bouillie, lessiver un adversaire.

2010
2021-12-06
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

stront

stront: de Amerikaanse wielrenner Tom Danielson van het Garmin-Chipotle-team zegt meer respect gekregen te hebben voor de renners die wedstrijden in Belgie rijden, en dat omdat er 'onwaarschijnlijk veel stront op de weg ligt. (...) Het is onwaarschijnlijk hoe ze zoveel stront op de weg krijgen en houden, om er ons dan doorheen te laten rijden,' ald...

Lees verder
2007
2021-12-06
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

stront

(vaak voorafgegaan door stuk) minderwaardig persoon; ellendeling. Dien bescheten stront Bisschop der Herdoopers. (Historie van Broer Cornelis Adriaensen van Dordrecht, 1698) Nou, en gij zijt heelemaal ’n verrot stuk stront, steek-de gij dan den dieë in oewen zak. (Lodewijk van Deyssel, De kleine republiek, 1889) De meesten van Brtappel...

Lees verder
1998
2021-12-06
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Stront

zie ook een figuur als natte stront; peuken/ peulen/pullen/zeven kleuren bagger/zeven kleuren stront schijten: 1. als voorvoegsel wordt stront- gebruikt ter intensivering. Voorbeeld: strontvervelend. In jeugdtaal is stronthoop een scheldwoord voor een waardeloos of onbetrouwbaar iemand. Strontgoed, heur! (Lennaert Nijgh: Tobia of de Ontdekking van...

Lees verder
1997
2021-12-06
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

stront

In een veertiende-eeuws gedicht vond De Baere (1940: 109) bi den stronte ‘bij de uitwerpselen van God’. De verwensing laat-ie in de stront vallen! drukt thans gelatenheid of onverschilligheid van de spreker uit ten opzichte van het gebeuren of de daad van een ander, of jegens de kritiek van een ander op de eigen daad. De v...

Lees verder
1990
2021-12-06
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

stront

stront - Afvalstoffen die door het lichaam worden afgescheiden.

1973
2021-12-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stront

m., (plat) 1. uitwerpselen van mens of dier, drek; (zegsw.) in de — zitten, in moeilijkheden; heb je — in je ogen, dat je dat niet ziet?; ben je blind? er is — aan de knikker, er is wat mis; van boven bont, van onderen —, uiterlijk fraai, maar onder de kleren vuil of innerlijk verdorven; (spr.) hoe meer men door de — r...

Lees verder
1952
2021-12-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stront

s., stront; -je, (zweertje op het oog), stiich.

1950
2021-12-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Stront

v., (plat) 1. uitwerpselen van mensen of dieren, drek: stuk stront, scheldnaam voor een persoon ; —(zegsw.) zo nat als stront; — in de stront zitten, in de verlegenheid ; — heb je stront in je ogen, dat je dat niet ziet ? ben je blind ? — al regende het stront van de dijk, hoe slecht het weer ook moge wezen ; — het is...

Lees verder
1925
2021-12-06
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Stront

komt in platte volkstaal dikwijls voor; o.a. in de beteekenis ruzie (vgl. hd. stänkeret, stänkern, stänker, twistzoeker); zie Kmz. 177: Bij de bitter kregen we gister stront; bl. 54: Wat hebben wij met jullie stront te maken; Harreb. II, 315: Maak toch geen' stront; fri. strontsiikje, spijkers op laag water...

Lees verder
1898
2021-12-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Stront

Stront - v. (plat), uitwerpsel (van menschen of dieren), drek; — (spr.) in de stront zitten, in de verlegenheid; — heb je stront in de oogen, dat je dat niet ziet ?, ben je blind ?; — er is stront aan den knikker, er is onraad, de zaak is niet in orde, hier schuilt iets achter; — van boven bord, van onderen stront, uiterl...

Lees verder