Wat is de betekenis van Stro?

2019
2021-10-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stro

stro - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) (landbouw) droge bloeistengels van graangewassen Woordherkomst <Middelnederlands #Middelnederlands|stro <Oudernederlands strō <Germaans *strawa

Lees verder
2018
2021-10-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stro

stro - zelfstandig naamwoord 1. gedroogde stengels die overblijven van het koren ♢ in de stal bij de dieren ligt stro op de grond Zelfstandig naamwoord: stro het stro

Lees verder
2002
2021-10-21
Funerair Lexicon

Encyclopedisch woordenboek over de dood (2002)

Stro

Gedroogd koren, een grondstof die in grote hoeveelheden voorradig was speelde in het dodenrituaal een grote rol. Het diende voor zeer veel handelingen en doeleinden, zoals het op een stromat leggen van de dode. Een schitterend voorbeeld hiervan is het prachtige monument in de Onze Lieve Vrouwekerk te Breda. Hier rusten op een gevlochten stromat de...

Lees verder
1974
2021-10-21
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

stro

overblijvend stengelgedeelte van geoogste gewassen. Vezelvlasstro is van belang voor vezelwinning; uit roggestro en tarwestro wordt karton en cellulose bereid, erwt- en haverstro als veevoer.

1973
2021-10-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stro

o. (g. mv.), 1. stengels met resten van bladeren en bloeiwijze van landbouwgewassen (m.n. granen) (e); (gew.) op — zitten, armoe lijden; gehakt —, haksel; 2. een enkele halm van gedorst koren enz., veelal als verkl.: strootje trekken, door het trekken van strootjes van ongelijke lengte uitmaken wie iets doen zal enz.(e) In Nederland en...

Lees verder
1954
2021-10-21
Groninger Encyclopedie

K. ter Laan

Stro

van ouds gebruikt voor veevoer en voor dak. Wat er overbleef had zo weinig waarde, dat het dikwijls eenvoudig verbrand werd. Geheel anders werd dit na de opkomst der papierfabrieken.

Lees verder
1952
2021-10-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stro

s.n., strie (it); los —, als strooisel gebruikt, strui (it), struijen (it), struijing; bos —, grude; — tot bossen binden, grúdzje; bundeltje —, striewisp, -wisk; bos lang uitgedorst —, (strie)skobbe; bos lang schoongemaakt —, slûkskeaf, slûkgrude...

Lees verder
1950
2021-10-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Stro

o., g. mv., 1. (stofn.) halmen van gedorst koren: Italiaans stro, zeer fijn stro ; het stro aan bossen binden ; iets met stro binden; een matras met stro vullen; (Zuidn.) op stro zitten, gebrek lijden ; (Zuidn.) iem. op stro brengen, helpen, leggen, tot armoede brengen; (Zuidn.) hij is op het stro gestorven, in grote armoede; (Zuidn.) op stro ligge...

Lees verder
1949
2021-10-21
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Stro

afvalproduct van graan-, zaad- of peulgewassen. Gebruikt als veevoer, strooisel, voor karton-fabricage; in 't buitenland ook voor de vervaardiging van hoeden.