Wat is de betekenis van Stoten?

2020
2021-09-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

stoten

(19e eeuw) (Barg.) copuleren, neuken. Zie ook: naar Stootwijk* rijden. • Stoten: geslachtsgemeenschap hebben. (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937) • (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980) • (Tony R. De Bruyne: Soldatentaal 1914-1918. 1994) • En dit is dán, soos ou Kemp gesê het, wat die lange lys...

Lees verder
2019
2021-09-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stoten

stoten - Werkwoord 1. (ov) met een korte snelle beweging (weg)duwen De opspringende hond stootte hem van zijn krukje. stoten - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stoot

Lees verder
2018
2021-09-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stoten

stoten - regelmatig werkwoord uitspraak: sto-ten 1. er hard tegenaan komen ♢ ik heb me gestoten aan die stoel 2. het eraf duwen ♢ hij stootte de vaas van het tafeltje Regelmatig werkw...

Lees verder
2016
2021-09-23
Prorail

Begrippenlijst Prorail

Stoten

Stoten is het ongekoppeld opduwen van wagens of rangeerdelen door een krachtvoertuig.

2008
2021-09-23
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

stoten

(ov ww; stootte; h. gestoten) KR - wedstrijdoefening gewichtheffen (samen met trekken), waarbij de halter wordt voorgeslagen, voor de schouders gebracht (met kniebuigen of uitvallen) en met gestrekte armen omhoog wordt gestoten. • Omdat de gewichtheffer zijn henen gebruikt om tijdens de uitstoot stuwkracht te geven, moet hij ze terugbrengen op een...

Lees verder
1977
2021-09-23
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

stoten

stoten - parende bewegingen maken (van de man); coïre; eig. ‘een krachtige duw geven’. De metafoor berust wrsch. niet, zoals bij steken, op reminiscenties met het ‘schermen’. ‘t Zijn Kind’ren die door mij in ‘t leven zijn gestoten. Ik heb ze zelfs gemaakt, (ENGELHART), Kinderen mijner Jeugdige Lossighe...

Lees verder
1973
2021-09-23
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stoten

(stootte of stiet, heeft of is gestoten), 1. een schokkende of krachtige duw geven: iemand in de zijde tegen de tafel-; 2. ergernis, aanstoot geven: zich —, zich ergeren, aanstoot nemen; 3. tegen iets botsen; (fig.) daar heeft hij zijn hoofd gestoten, heeft hij zijn zin niet gekregen; zich met een lichaamsdeel onzacht tegen iets aankomen; (s...

Lees verder
1952
2021-09-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stoten

v., stjitte, s t a e t t e, s t a e t; stompe, dúste, dompe, hompe, fiere; (bijv. van een wagen), jots(j)e, bosse, bosje, hompe; met de horens —, hoarnje; met geweld —, rame.

1950
2021-09-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

STOTEN

(stootte of (w. g.) stiet, heeft of is gestoten), 1. een schokkende of krachtige duw of zulke duwen geven, inz. als gewelddadige, afwerende of afwijzende aanraking: a. (overg.) elkaar met de elleboog stoten; met de voet iets van zich stoten; iem. in de zijde stoten ; — als verbreking van een band of samenzijn: zijn vrouw van zich stoten, haar...

Lees verder