Wat is de betekenis van Stok?

2020
2021-08-04
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

stok

1) (19e eeuw, vero.) (sold.) adjudant-onderofficier. • Stok, (mil.), verouderde scheldnaam voor den adjudant-onderofficier, die vroeger een stok droeg. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899) • Wanneer de heer Verhoeven zyn studies op dit gebied voortzet, zal hij b.v. kunnen vernem...

Lees verder
2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stok

stok - Zelfstandignaamwoord 1. langwerpig voorwerp om te stoten, slaan, aanraken, aangeven (van toon), steken, te likken of te prikken 2. (spel) voorraad speelkaarten die na het rondgeven overblijven en waarvan men kan nemen of kopen 3. een gedeelte van een stuk (effect, cheque) zonder het betalings- of ontvangstbewijs, souche,...

Lees verder
2018
2021-08-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stok

stok - zelfstandig naamwoord 1. lang, dun, rond stuk hout ♢ hij sloeg de hond met een stok 1. daar zal ik een stokje voor steken [dat zal ik verhinderen] 2. hij krijgt het met i...

Lees verder
2017
2021-08-04
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Stok

Stok - oude scheldnaam voor de adjudant-onderofficier, die vroeger een stok droeg.

2009
2021-08-04
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

stok

→ golfstok

2008
2021-08-04
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

stok

(de; -ken) 1 TU spreektaal - rekstok 2 AF - bij nordic walking doorgaans gebruikte (twee) pole(s) (skistok) 3 → estafettestok

Lees verder
2002
2021-08-04
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

stok

Een stok is het gedeelte van een letter dat boven de x-hoogte uitsteekt, bijv. bij de k, l, t.

1998
2021-08-04
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

stok

Spel kaarten.

1997
2021-08-04
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

stok

De West-Vlaamse verwensing loop naar de stokken! drukt haat, verachting, boosheid enz. uit en betekent ‘maak dat je wegkomt, ik kots van je’. De relatie met ‘rustplaats voor vogels’, de letterlijke betekenis van stok, is geheel afwezig. In het Frans zou men zeggen que le diable fimporte!

Lees verder
1977
2021-08-04
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

stok

stok - penis (vgl. stang, staaf e.d. en ook strijkstok waar de overdracht echter op andere basis berust). Ik zag hem de stok omsluiten, zodat z'n vingers bij het heen en weer trekken even haperden aan de rand van de dikgezwollen kop, M.M. 53 [1972].

1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stok

m. (-ken), 1. stengel, dunne houtige stam van struiken en heesters; 2. houtkern van een hennepof vlasstengel; 3. afgevallen of afgebroken tak; 4. recht en doorgaans rolrond (althans niet plat) stuk hout, voor verschillende doeleinden gebruikt; iemand een — tussen de benen gooien, zijn plannen dwarsbomen; als hulpmiddel bij het springen, po...

Lees verder
1952
2021-08-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stok

s., stôk, pl. s t o k k e n; — bij hoepel, hoep(e)-, hoepjeijersstôk; — van vogelnet, lo(a)rm, lormstôk, lorringstôk; -ken om vissersboot vast te zetten, setstokken; — waarin de tanden van een hark zitten, mantsje (it), haed (it); ergens een -je voor steken,...

Lees verder
1937
2021-08-04
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Stok

Souche. Talon. Het deel van een effect, dat overblijft na afscheuring der coupons. Het gedeelte, dat in een bonboek achterblijft, nadat men de bons eruit heeft gescheurd. Stok van een chèqueboek, van een kwitantieboek. Bij het kaartspel is de stok het stapeltje kaarten, dat overblijft, wanneer alle spelers van een bepaald aantal kaarten zijn...

Lees verder
1933
2021-08-04
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Stok

1° Gérard Antoine Henri van der, kunstschilder en decorateur. * 28 Jan. 1870 te Pelantoengan, bij Semarang. Werd zeeofficier. In 1898 begon hij met beeldhouwen, in 1903 met teekenen (les van Zilcken), in 1906 met etsen (les van Obbes). In 1908 stelde hij zich onder leiding van v. Konijnenburg. Zijn werk is aan dat van dezen verwant. Het...

Lees verder
1898
2021-08-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Stok

Stok - m. (-ken), stengel, dunne houtige stam van struiken en heesters; plant met zulk een stam : wijnstok, rozenstok, stokroos ; — afgesneden rechte lange stam of tak; — (gew.) ik kan wel een stok in mijn keel steken, ik heb niets te eten ; — lang, cilindervormig stuk hout, tot verschillende doeleinden gebezigd, inz. tot steun...

Lees verder