Wat is de betekenis van stoelgang?

2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stoelgang

stoelgang - Zelfstandignaamwoord 1. het proces van zich op gezette tijden ontlasten van fecaliën De stoelgang was gestoord als gevolg van zijn ziekte. 2. (medisch) medische term voor de menselijke uitwerpselen zelf Heeft u al stoelgang gemaakt?...

Lees verder
2018
2022-08-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stoelgang

stoelgang - zelfstandig naamwoord uitspraak: stoel-gang 1. onverteerd voedsel dat via je anus naar buiten komt ♢ ik heb een regelmatige stoelgang Zelfstandig naamwoord: stoel-gang de stoelgang Synoniemen...

Lees verder
2010
2022-08-18
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

stoelgang

Zie (ook) poepen

2004
2022-08-18
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

stoelgang

Afgang, ontlasting*. Vroeger had men het ook over kamergang (Middelnederlands: camerganc). De zeventiende-eeuwse Nederlandse dichter Constantijn Huyghens schreef ooit in zijn Journaal: ‘Had smergens een losse ende heel geele kamergangh.’ Drooge vijgen tergen den buyc en verwecken tot stoelgang. Dodonaeus: Cruydboeck. Ca. 1600

Lees verder
1981
2022-08-18
Lexicon der Natuurgeneeskunde

Vraagbaak voor het moderne gezin (Uitgave Milinda Uitgevers, 1981)

Stoelgang

(defaecatie): is een reflex, die opgewekt wordt wanneer de endeldarm vol is. De aars verslapt en de gladde spieren van de endeldarm trekken ritmisch samen, waardoor de faeceskolom naar beneden en naar buiten gedrukt wordt. Deze reflex werkt alleen wanneer de gehele dikke darm de juiste tonus heeft. Wanneer deze te gering is, spreken we van atonie....

Lees verder
1980
2022-08-18
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Stoelgang

De eigenlijke en nog steeds meest gebruikelijke betekenis van het woord stoel is: zetel voor één persoon. Er is verwantschap met Grieks stele: zuil en met het werkwoord staan, omdat het ding staat. Men gebruikt het woord ook voor de van een zetel voorziene verhoging en dus voor: kansel, preekstoel, katheder. Op het platteland zei (zeg...

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stoelgang

m., 1. het uitdrijven van de darminhoud (e); 2. de faecaliën zelf: dunne —. (e) De frequentie van de stoelgang hangt af van gewoonte, dieet en leefpatroon. De optimale frequentie lijkt wel eenmaal daags, liefst ’s morgens na het ontwaken. Bij velen is de frequentie hoger of lager zonder dat dit op een afwijking berust. Te frequen...

Lees verder
1954
2022-08-18
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Stoelgang

1. de lediging van de endeldarm, defaecatie, vgl. verstopping1 en diarrhee. 2. de ontlasting, zie faeces.

Lees verder
1952
2022-08-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stoelgang

s., trochgong; — hebben, efterút kinne.

1950
2022-08-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

STOELGANG

m., ontlasting, zowel de handeling als het product: behoorlijke stoelgang hebben; dunne stoelgang.

1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

stoelgang

m. (ontlasting, afgang).

1933
2022-08-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Stoelgang

1) ontlasting, verwijdering u/h lichaam, langs den natuurlijken weg, v/d onverteerde overblijfselen v/h voedsel; 2) → faecaliën.

Lees verder
1929
2022-08-18
Geneeskundige Encyclopaedie 1929

Dr. Ch. Bles

Stoelgang

defaecatie, de uitscheiding der ontlasting (alvus, drekstoffen, faeces), die levensverrichting, waarbij de onbenutte of onverteerbare overblijfselen van het opgenomen voedsel, die zich in het-darmkanaal ophoopen, worden uitgedreven door de aarsopening. De S. komt tot stand door de samenwerking van den spierwand van den endeldar...

Lees verder
1916
2022-08-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Stoelgang

Stoelgang - ontlasting, het ontlasten, uitdrijven van de onverteerde resten van het opgenomen voedsel, ook de uitgeworpen stoffen zelve. Deze laatste, ook faecaliën geheeten, bestaan uit onverteerde bestanddeelen der voedingsmiddelen, inz. uit cellulose, zetmeeldeeltjes, onverteerd vleesch, vet, kaasstof, peezige en vliezige deelen, darmepitheliën...

Lees verder
1898
2022-08-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Stoelgang

Stoelgang - m. (fig.) ontlasting: behoorlijken stoelgang hebben; ...KLEED, o. (-en), overtrek, hoosje; ...KUSSEN, o. (-s); ...PLANK, v. (-en), (bouwk.) muurbekleeding met eene enkele plank, 12 à 15 cM. breed, ter hoogte van de bovendeelen der daartegen te plaatsen stoelen (zoowel tegen den muur als onder het behang); ...ROGGE, v. winterro...

Lees verder