Wat is de betekenis van Stijfhoofdig?

2024-07-15
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-07-15
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Stijfhoofdig

adj. & adv., stiif-, steech-, steuchhollich, stiif, steech, steuch, hollich; — zijn, in stiif sin hawwe.

2024-07-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

STIJFHOOFDIG

bn. bw. (-er, -st), onverzettelijk, koppig, eigenzinnig: onbuigzaam en stijfhoofdig.

2024-07-15
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

stijfhoofdig

bn. (koppig).

2024-07-15
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

stijfhoofdig

('ho:vdəh) bn. en bw. (-er, -st) onverzettelijk om zijn eigen hoofd, inzicht te volgen. Syn.➝ eigenzinnig.

2024-07-15
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Stijfhoofdig

Stijfhoofdig - bn. bw. (-er, -st), onverzettelijk, koppig, eigenzinnig. STIJFHOOFDIGHEID, v. onverzettelijkheid, koppigheid, eigenzinnigheid.

2024-07-15
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Stijfhoofdig

zie Eigenzinnig.