Wat is de betekenis van Stijfhoofdig?

1952
2022-06-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stijfhoofdig

adj. & adv., stiif-, steech-, steuchhollich, stiif, steech, steuch, hollich; — zijn, in stiif sin hawwe.

1950
2022-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

STIJFHOOFDIG

bn. bw. (-er, -st), onverzettelijk, koppig, eigenzinnig: onbuigzaam en stijfhoofdig.

1937
2022-06-25
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

stijfhoofdig

bn. (koppig).

1898
2022-06-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Stijfhoofdig

Stijfhoofdig - bn. bw. (-er, -st), onverzettelijk, koppig, eigenzinnig. STIJFHOOFDIGHEID, v. onverzettelijkheid, koppigheid, eigenzinnigheid.

1898
2022-06-25
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Stijfhoofdig

zie Eigenzinnig.