Wat is de betekenis van stellig?

2019
2022-08-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stellig

stellig - Bijvoeglijk naamwoord 1. met volle overtuiging en geen ruimte voor twijfel latend Er volgde een stellige ontkenning van een verband tussen de gebeurtenissen van 11 september en het bewind van Saddam. Woordherkomst Afleiding van de stam stellen|stel- met het achtervoegsel...

Lees verder
2018
2022-08-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stellig

stellig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: stel-lig 1. zeker dat het juist is ♢ dat is een stellige uitspraak Bijvoeglijk naamwoord: stel-lig ... is stelliger dan ... het stelligst...

Lees verder
1973
2022-08-11
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stellig

bn. en bw. (-er, -st), 1. werkelijk, wezenlijk: uitgaande van of berustend op de werkelijkheid of iets wezenlijks: het recht, recht berustend op wet, gewoonte, traktaat of rechtspraak; 2. uitgesproken, uitgemaakt, beslist: de stellige wens van de meerderheid; 3. zeker, op zekere grondslag steunend: stellige berichten; (bw.) zeker, zonder twijfel:...

Lees verder
1952
2022-08-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stellig

adv., stellich, grif, siker, (for)fêst, wiswier, sûnder mis, wis en wrychtsjes; het is — zo, der is gjin mis op.

1950
2022-08-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

STELLIG

bn. bw. (-er, -st), 1. werkelijk, wezenlijk: uitgaande van of berustend op de werkelijkheid of iets wezenlijks: het stellig recht, recht berustend op wet, gewoonte, tractaat of rechtspraak (in tegenst. met het natuurrecht); de stellige wijsbegeerte, het positivisme; een stellig, doch ongewenst resultaat; een stellige verbete...

Lees verder
1937
2022-08-11
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

stellig

bn., bw.; zeker, bepaald: een stellige belofte, de stellige verwachting hebben; op stellige toon, besliste; stellig komen.

1898
2022-08-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Stellig

Stellig - bn. bw. (-er, -st), zeker, bepaald, beslist: hij spreekt veel te stellig, veel te beslist; — ik kan u stellig, ten stelligste verzekeren een stellig antwoord geven, een beslist, bepaald antwoord; — ik weet het stellig, geheel zeker; — zonder mankeeren : ik kom stellig; gij kunt er stellig op aan; — positief : de st...

Lees verder