Wat is de betekenis van Stelletje?

2023-04-02
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2023)

stelletje

(1911) (Amsterdam) borrel met een glas bier. • Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje. (Nescio: De uitvreter. 1911) • ‘Geef me een stelletje van je,’ zei de man. ‘En wat mot jij?’ (Simon Carmiggelt: Alle orgels slapen. 1961) • En hij drinkt een stelletje - bier voor de dorst en jenever voor de smaak....

Lees verder
2023-04-02
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

stelletje

stelletje - Zelfstandignaamwoord 1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stel

Lees verder
2023-04-02
Ewoud Sanders woordenboeken

Ewoud Sanders (2019)

Stelletje

Stelletje is in de jaren vijftig in Amsterdam gehoord voor 'biertje met een borrel ernaast'. Het werd toen beschouwd als Bargoens. Volgens één informant is het een typisch Haarlems woord, maar het is stellig ruimer verbreid. Een zegsman uit Medemblik in Noord-Holland legde het begrip voor aan de kastelein van zijn stamkroeg: Ik vroeg hem of stellet...

Lees verder
2023-04-02
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Stelletje

s.n.; (bij elkaar behorende voorwerpen), stel(tsje) (it), reauke (it).

2023-04-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

STELLETJE

o. (-s), klein stel, inz. 1. (geringschattend) geheel van bij elkaar horende personen: stelletjes Jordaanse meiden; 2. zootje: ik zag daar een troepje studenten, maar ’t was een stelletje; de mensheid is een raar stelletje; 3. (geringschattend) paar: heb je de nieuw getrouwden al samen gezien? ’t is anders...

Lees verder
2023-04-02
Jozef Verschueren

Jozef Verschueren (1930)

stelletje

('stellətjə) o. (-s) vklw. aan ➝ stel.

2023-04-02
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

stelletje

o. (-s), klein stel, m.n.: 1. (geringschattend) een aantal zich met elkaar vertonende personen; 2. zootje; 3. paar (van verloofden of getrouwden), span: het is een aardig -.

Lees verder