Wat is de betekenis van steil?

2019
2021-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

steil

steil - Bijvoeglijk naamwoord 1. onder een grote helling ten opzichte van horizontaal Met deze terreinwagen kom je de steilste berghellingen op. 2. ~ haar recht, zonder krullen Het is nu weer mode om steil haar te hebben, dus weg met de krultang....

Lees verder
2018
2021-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

steil

steil - bijvoeglijk naamwoord 1. heel schuin oplopend of afdalend ♢ de fietsers moesten tegen een steile helling op 1. ergens steil van achterover slaan [er heel verbaasd over zijn] ...

Lees verder
1973
2021-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

steil

bn. (-er, -st), 1. sterk hellend, sterk oplopend of afdalend; ook van het verloop van grafieken e.d.; stijf omhoogstaand: steile haren; 2. star, bekrompen: een — calvinist.

Lees verder
1952
2021-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Steil

adj. & adv., steil, skoar.

1950
2021-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

STEIL

bn. (-er, -st), 1. sterk hellend, sterk oplopend of afdalend: steile bergen, wanden, oevers, kusten; een steile trap; die ladder staat te steil; stijf omhoogstaand: verwarde, steile haren; 2. (van een beweging) nagenoeg loodrecht naar boven of naar beneden gericht: omhoog gestreefd met steile vlucht; bw., steil omhoo...

Lees verder
1898
2021-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

STEIL

STEIL - bn. (-er, -st), min of meer loodrecht, een grooten hoek met den bodem makende: steile bergen, wanden, oevers, kusten; eene steile trap; die ladder staat te steil; — stijf: eene steile houding{zeew.) een steile wind, een stijve, scherpe wind; — steile begrippen, ingewortelde, waaraan men met hand en tand vasthoudt; — een...

Lees verder