2020-04-07

steiger

steiger - Zelfstandignaamwoord 1. (waterstaat), (scheepvaart) een vaak houten constructie die het water insteekt en waaraan een boot kan afmeren Het jacht ligt nu veilig aan de steiger afgemeerd. 2. (bouwkunde) een tijdelijke constructie van palen en werkplateaus die bouwvakkers een werkvloer verschaffen bij bouw- en onderhoudswerk Met een bouwlift brengt men de bouwmaterialen op de steiger....

2020-04-07

steiger

steiger - zelfstandig naamwoord uitspraak: stei-ger 1. houten aanlegplaats voor schepen ♢ vader meerde de boot af aan een steiger 1. iets in de steigers zetten [het voorbereiden] 2. bouwwerk van stangen en planken waar bouwlieden op werken ♢ om het huis te kunnen schilderen,...

2020-04-07

STEIGER

STEIGER - m. (-s), aanlegplaats (op paalwerk) voor schepen ; — steigerschuit met daarop rustende brug; — stellage, stelling in de hoogte, om huizen te kunnen bouwen of herstellen: een steiger oprichten, afbreken; — een vliegende steiger, eene soort van steiger, door huisschilders veel gebruikt, die aan de dakgoot opgehangen wordt en daarlangs voortbewogen kan worden. STEIGERTJE, o. (-s).

2020-04-07

steiger

('steigər) m. (-s; -tje) [stijgen] getimmerte om op te stijgen nl. 1. aanlegplaats op paalwerk voor schepen. 2. metselstellage vóór een huis : een oprichten, afbreken; hangende of vliegende -. ➝ huis.