Wat is de betekenis van Steek?

2020
2021-05-15
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

steek

Het begrip steek heeft 7 verschillende betekenissen: 1) de handeling van het steken. de handeling van het steken, vaak met een puntig voorwerp; het steken of stoten. Ook om het resultaat van die handeling aan te geven. 2) stekend gevoel. stekend gevoel, veroorzaakt door pijn of door een ander gevoel, bijvoorbeeld schrik, verdr...

Lees verder
2019
2021-05-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

steek

steek - Zelfstandignaamwoord 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp De steek met die dolk was diep genoeg om flinke schade te doen. 2. een langdurige scherpe pijn Hij kreeg ineens een steek in de zij. 3. een eenmalige doorvoering van...

Lees verder
2018
2021-05-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

steek

steek - zelfstandig naamwoord 1. het treffen met een puntig voorwerp ♢ hij gaf mij een steek met het mes 1. een steek onder water [met bedekte woorden iets vervelends zeggen] 2....

Lees verder
2017
2021-05-15
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Steek

De afstand tussen de hartlijnen van de kammen (of staven). Als de kammen van de wielen niet "op steek staan", is dat te horen aan het bonkend en stotend geluid.

2008
2021-05-15
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

steek

(de; steken) SP - gewaarwording van een plotseling opkomende pijn (steek) (‘steken in de zij’ is een regelmatig voorkomend ‘ongemak’ bij (ongetrainde) (hard)lopers).

2002
2021-05-15
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

steek

Een steek is: 1) de handeling waarbij een draad m.b.v. een naald door textiel wordt gehaald; steken kunnen een verbindende of een versierende functie hebben; er zijn machinesteken en borduursteken; m.o. bijv. kruissteek, kettingsteek, flanelsteek, festonsteek, rijgsteek, stiksteek, knoopjessteek, platsteek, steelsteek; 2) de lussen die bij het brei...

Lees verder
1977
2021-05-15
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

steek

steek - ‘doel’-treffende beweging (van de man) bij de coïtus; de metaforiek berust op het erotische begrippencomplex schermen, vechten e.d. 't Is met dit vegten zo geleegen, Krygje al een steek het heeft geen nood. Daar blijft ’er zelden een van dood, Kwakers Bruiloft en Verjaring 9 [± 1800]. Al stroomt mijn bloed...

Lees verder
1973
2021-05-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

steek

m. (steken), 1. stoot met een puntig voorwerp en de daardoor veroorzaakte wonde; 2. plotseling, kort gevoel van pijn: een — in de borst; 3. bijtend gezegde, schimpscheut, verwijt: iemand een — onder water geven, hem in bedekte termen een onaangenaamheid zeggen; 4. het steken van of met een naald; zij kan geen — naaien, helemaal...

Lees verder
1954
2021-05-15
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Steek

ondersteek, bed(de)pan, het apparaat om urine en ontlasting van een bedlegerige op te vangen.

1952
2021-05-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Steek

1. s.; (hoofddeksel), steek; driekante —, trijekant, trijetút. 2. s.; (prik), stek, prip; (bij het breien), stek; platte —, platstek; — van pijn, kerming, kerving, tsjirming; — onder water, rûkap(p)el, pripper, rûker; iem. een — onder water geven,...

Lees verder
1950
2021-05-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

STEEK

m. (steken), 1. keer dat men steekt, handeling van steken; stoot met een puntig voorwerp en de daardoor veroorzaakte wonde : iem. een steek toebrengen met een mes, een dolk; steken van bijen en muggen; 2. stekend gevoel van pijn: steken in de zijde, steek in de borst; 3. bijtend gezegde, schimpscheut, verwijt: dat was mij een steek door het hart,...

Lees verder
1949
2021-05-15
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Steek

(in touwwerk) dient in het algemeen voor bevestiging; kan op verschillende wijzen worden gelegd, doch dient zó te geschieden dat bij het trekken aan het touw dit zichzelf, of ook het voorwerp, waaraan het touw bevestigd is, knijpt en daardoor niet doorsliert.

1926
2021-05-15
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Steek

Driekantige punthoed, omstreeks 1697, in de mode gebracht door Lodewijk XIV, die onder zijn hovelingen verscheen met den steek — den chapeau-bas, gelijk die genoemd werd— onder den arm. Eer een jaar verloopen was, zag men den kleinen driekanten hoed door bijna geheel Europa in gebruik. „Men droeg hem, zelfs in het barste weder, al...

Lees verder
1921
2021-05-15
Levende taal

T. Pluim - 1921

Steek

1. Dat houdt geen steek: dat gaat niet op, dat kan de proef niet doorstaan. Men denke aan een versleten stuk laken, dat bij ’t verstellen geen „steek” meer houdt, dus telkens uitrafelt.2. Daar is een steek aan los: daar is iets op aan te merken; iets niet in orde, zooals bijv. in breiwerk een steek los is. 3. Geen steek om iets ge...

Lees verder
1898
2021-05-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Steek

Het begrip steek heeft 2 verschillende betekenissen: 1. steek - STEEK - m. (steken), driekante hoed, inz. der geestelijken : een steek dragen; den steek verwisselen met het zwaard, van priester krijgsman worden ; (fig.) een steek, een dominee. STEEKJE, o. f-s). 2. steek - STEEK - m. (steken), het steken; stoot met de punt van eenig scherp werktu...

Lees verder