Wat is de betekenis van stang?

2022
2022-11-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

stang

1) (1914) (meestal meerv.) (Barg.) been. Syn.: baanders*; benenwerk*; fietsen*; gereedschap*; kuierlatten*; looplatten*; loopstokken*; onderdanen*; onderstel*; onderwerk*; pannenlatten*; pikkels*; schragen*; staanders*; stelten*; stutten*. • Meid,... sta op je eige stange,... zei Manus zacht, terwijl hij haar hielp staan. (Israël Querido:...

Lees verder
2020
2022-11-27
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Stang

Zie Constans

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stang

stang - Zelfstandignaamwoord 1. meestal metalen voorwerp in de vorm van een lange stijve cilinder Deze stang verbindt de aanhanger met de trekker. stang - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stangen ♢ Ik stang 2....

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stang

stang - zelfstandig naamwoord 1. lange dunne staaf van metaal ♢ het kind zat op de stang van zijn vaders fiets Algemene uitdrukkingen: 1. hem op stang jagen [kwaad proberen te krijgen, opjutten]...

Lees verder
2017
2022-11-27
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Stang

iemand op stang rijden: iemand erg kwaad krijgen. Ik heb hem op stang: ik heb hem woedend gemaakt. Oorspronkelijk gezegd van een paard dat men in toom houdt door middel van een stang in de bek. Het is dan ook een huzarenuitdr, te Tilburg gebruikt rond 1913-1914.

2009
2022-11-27
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

stang

(de; -en) - horizontale buis aan het frame van een herenfiets: een fiets met, zonder stang

1990
2022-11-27
BDI

BDI terminologie

stang

in kaartenbak: uitschuifbare metalen staaf die door een ponsgat in de kaarten loopt zodat deze niet uit de bak gelicht kunnen worden. - kaartstang.

Lees verder
1980
2022-11-27
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Stang

Rudolf; geb. Dusseldorf 26 november 1831, overl. Boppard 2 januari 1927. Leerling aan de Dusseldorfse Akademie (1845-1857, J. Keiler), later medewerker van zijn leermeester. In 1865 vertrok hij naar Milaan, maakte daar studies naar Raphaël; in 1874 een tweede reis naar Italië. Graveur, etser en tekenaar. Was van 1884 tot 1901 te Amsterdam...

Lees verder
1977
2022-11-27
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

stang

stang - mannelijk lid; vandaar ook stangenpoetser, ‘prostituée die bereid is tot het met de hand bevredigen van een cliënt’ (ENDT).

1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stang

v./m. (-en), 1. staaf; 2. hoofdtak van een gewei; 3. stof in stangvorm: suikerstang; 4. gebit aan een paardetuig; op de — rijden, (paard) strak houden; (fig.) scherp toezien.

Lees verder
1964
2022-11-27
voornamen

Voornamenboek

Stang

m -> Constans (Zuid-Ndl.).

1954
2022-11-27
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Stang

is de door de mond van het paard gelegde staaf, waaraan kinketting en schaar. De laatste dient voor bevestiging van de stangteugels (z. Tuigen).

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stang

s., stang(e); iem. op — jagen, immen op ’e kas sette, op slach krije.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

STANG

v. (-en), 1. (veroud.) houten staak of stok : en Mozes maakte een koperen slang en stelde ze op een stang (Num. 21: 9); een vendel wapperend aan de stang ; — (gew.) staak of mast waar de vogel op staat bij het vogelschieten ; 2. (jag.) hoofdtak van een gewei; 3. staafvormig lichaam van metaal of enige andere harde stof:...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

stang

v. -en, stangetje; 1. (ronde) staaf van hout, glas, metaal: glazen stangen; de stang van een bliksemafleider; 2. onderdeel van het gebit van een paardetuig: de stang van een paardegebit; fig. iem. op de stang rijden, narijden, scherp op zijn doen en laten toezien, achter de broek zitten; op stang jagen, boos maken.

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

stang

v. (-en; -etje) staak] 1. Alom. (ronde) staaf: ijzeren, stalen, koperen, glazen, houten -en; de van een vliegwiel. 2. Inz. a. Jacht, een der hoofdtakken van een → gewei. b. gebit van een paardetuig : iemand op de rijden, streng behandelen, bedwingen. → paard.

Lees verder
1911
2022-11-27
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Stang

van den Germ. wt. sting = steken, het woord w. d. z.: wat men in den grond steekt, dus ongeveer ’t zelfde als stok, staak (zie die woorden), ’t Verkleinwoord is stengel.

1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

STANG

STANG - v. (-en), staaf van metaal, hout, glas enz.: koperen, glazen stange', — (jag.) hoofdtakken van een gewei; — gebit aan een paardentuig ; een paard op de stang rijden, het flink den teugel doen gevoelen ; — iem. op de stang rijden, hem streng behandelen. STANGETJE, o. (-s).

Lees verder
1864
2022-11-27
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Stang

Stang, v. (-en), metalen staaf. *-LADDER, v. (-s), ladder met slechts éénen stijl. *-STEEN, m. (-en), topaas, edelgesteente.

Lees verder
1856
2022-11-27
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Stang

z.n.v. - Zie steng.